Mijn roots

Zo daar ga ik dan met mijn verhaa, mijn levensverhaal voor jullie mijn dierbaren. Het is een vertelling geworden van mijn herinneringen aan mijn familie en aan de beleving van mijn leven. Een leven dat voortijdig aan een eind dreigt te komen. Daar ben ik heel droevig over, maar je moet weten dat ik heel veel plezier beleef bij het maken van dit boek. Voor mezelf en voor jullie. Het voordeel van weten dat je dood gaat is, dat je nog dingen kan achterlaten en zeggen.

Ik ben in 2004 begonnen aan deze memories. Toen ik begon te vrezen dat me niet heel veel tijd meer gegund was. Ik hoop nog tijd en energie te hebben om het ook af te maken.


Ik ben als Jenny Edith de Lannoy gedoopt. Nu ben ik gelukkig getrouwd met Jeroen en moeder van drie geweldige kinderen... Quentin, Woody en Marysé.

Ik ben op 17 oktober 1954 geboren op Curaçao. Een zwart kindje met nogal gemengde wortels. Multiculturele roots. Met een Indiaanse oma, Nederlandse opa, Joodse opa , en allemaal Afrikaanse oma’s.

Indiaanse wortels

Onze Overgrootoma Gungun, was een Indiaanse. Indianen hebben altijd al op het eiland gewoond. Ze kwamen over van het vasteland van Zuid-Amerika en van de grotere eilanden. Arowakken van de Taínogroep. Ze woonden in kleine groepjes, en leefden van visserij en verbouwenden maïs en cassave.

Daarnaast dreven zij handel met Indianen van andere eilanden en van het vasteland. Ze verkochten gelooide huiden en gedroogde vis.

Hun rust werd wreed vestoord toen de Spanjaarden in 1499 Curaçao ‘ontdekten’ . Alonso de Ojeda, uit de vloot van Columbus. Een belangrijk deel van de Indianen is in 1515 meegenomen naar Spanje. De anderen werden tot slaaf gemaakt.

Ze stierven door het beestachtige werk en aan infectieziekten van de Spanjaarden waar ze niet tegen opgewassen warenToen de Hollandse West-Indische Compagnie, Curaçao van op de Spanjaarden veroverden, werden het niet veel beter. Begin 1800 waren er nog 1000 Indianen op Curaçao. Onze oma Gungun is afstammeling van deze 1000 Indianen.

De Hollandse roots

Oma Gungun trouwt eind 1800 met shon van Eiter. Een Nederlander. De eerste Nederlanders kwamen met de West Indische Compagnie naar Curaçao. 1634. Deze waren op zoek naar mogelijkheden voor handel en kaapvaart. Met een kaapbrief mocht de kapitein andere schepen aanvallen en hun buit jatten. Verder zochten ze en vonden een goede bron voor zout, campeche-hout (een grondstof voor een natuurlijke verf), en brandstof. In 1665 begon de W.I.C. met de slavenhandel.

Handelaren, hadden de slavenhandel van Engelsen en Spanjaarden voor een groot deel overgenomen. De handel trok veel andere Nederlanders aan. Militairen, bestuurders, maar ook gelukzoekers. We weten niet uit welke groep onze overgrootopa shon van Eiter , afkomstig was.

Mam vertelt dat het heel bijzonder is dat een gemengd huwelijk in die tijd door mocht gaan. Blanken mochten niet met indianen of afrikanen trouwen.

Afrikaanse roots

Gungun en Shon van Eiter zijn de ouders van opa Simeon die in begin 1900 met oma Paulina trouwde. Oma Paulina is afstammeling van West-Afrikaanse slaven. De gevangen genomen Afrikanen werden o.a. op de Kaapverdische eilanden verzameld. Daar is onze taal , Papiamentu, ontstaan. Op Curaçao werden de slaven verhandeld. Een klein deel bleef op Curaçao, als hulp in de handel of op de plantages.

Vanuit plantage Knip is de grootste opstand, door de slaven Tula en Karpata georganiseerd. Ze zijn uiteindelijk opgepakt en opgehangen. Maar door die opstanden was het inmiddels duidelijk dat de slaven niet meer alles zouden pikken.

Van een van oma Paulina’s oma’s komt een heel stoer en bijzonder overlevingsverhaal. De slavernij is dan nog niet afgeschaft. De slaven zijn eigendom van de shon. End dan lukt het onze geweldige vrouw, als een van de enigen, haar gezin vrij te kopen.
Door haar ‘voorbeeldig’ gedrag had ze één kuikentje gekregen. Dat kuikentje heeft ze gekoesterd en spaarde jaren de opbrengsten van de eieren en later ook van de kippen. Telkens als ze genoeg geld had kocht ze er een vrij. Eerst haar twee kinderen en later ook haar man.

Joodse roots

Het zijn Sefardische joden, gevlucht uit Europa en via Brazilië, op Curaçao beland. De handel van de W.I.C. trok veel Joden die met name in de administratie en boekhouding werkten. Mijn achternaam, de Lannoy ,is een Joodse naam. Een blanke joodse man die zijn naam gegeven heeft aan zijn kind bij een zwarte vrouw. Een Overgrootoma van mijn opa Gabriël de Lannoy.

Als ik geboren wordt zijn mijn ouders helaas….. al uit elkaar. Ze waren een klein jaartje daarvoor op Berg Altena, verliefd op elkaar geworden.

Mijn ouders verliefd

Mam woont bij haar oma, na de scheiding van haar ouders. Daar op Berg Altena zien mijn ouders elkaar voor het eerst. Heel kort en heel heftig. Zij was 15 en hij 22.

Mijn vader Ronald, was Mams ooms dominomaatje . Daar speelden de mannen vaak door de week. En elke zondagmiddag. Onder de grote tamarindeboom achter de rij Berg Altena huizen.

Mam krijgt veel aandacht van de opvallende Ronald. Hij kijkt en fleurt als de ooms niet kijken. Hij lacht als zij hete sopi di mondongo en ijswater voor de mannen brengt.

Sylvia is gelijk gek op die mooie boy. Maar met haar 15 jaar vinden ze haar te jong om met jongens om te gaan.

Maar ze deed het toch. Stiekem. Met behulp van een vriendin Gladys. Ronald en Sylvia ontmoeten elkaar een paar keer. Sylvia is gelijk verkocht, helemaal verliefd, op die mooie, slanke, lange vrolijke jongeman. Ze was echt verliefd. Hij waarschijnlijk ook. Maar het liep anders dan ze had gehoopt. Ze was naïef en schrok toen bleek dat ze zwanger was.

Haar familie reageerde heftig. Ze waren boos, verdrietig en vooral heel erg teleurgesteld . Ze krijgt klappen en huisarrest. Kreeg ook niet de kans om zelf aan Ronald te vertellen dat ze zwanger was.

Mijn twee oma’s, Margarita en Emily hielden mijn ouders helemaal buiten de besprekingen, die eerst heel goed verliepen. Maar de oma’s kwamen er toch niet uit. Moest er nou vóór of ná de bevalling getrouwd worden. Dus er werd niet getrouwd. Mam mocht Ronald niet zien. Erger nog, de twee oma’s kregen ruzie en weigerden elkaar weer te spreken. Ze zouden elkaar inderdaad tot hun dood niet meer spreken.

Het moet voor Mam heel zwaar zijn geweest. Je bent jong, zwanger, familie boos op je en ánderen bespreken jouw toekomst zonder je er bij te betrekken. En met het ooit zo leuke vriendje krijg je geen contact meer. Mam moet met haar moeder mee naar Santa Rosa wonen. Daar word ik tijdens orkaan Hazel geboren.

Vroeger vond ik het erg spannend tijdens een orkaan geboren te zijn. Geboren worden met bliksem, rukwinden en striemende regen. Alsof míjn geboorte zoveel natuurgeweld had veroorzaakt.

Ik was als kind ook niet bang voor orkanen. Het regende dan vaak dagenlang. Maar ik vond dat heerlijk. Heerlijk om in de regen te dansen en te spelen. En soms regende het zo erg dat je niet eens naar school hoefde. Als kind had ik geen idee van het gevaar van orkanen.

Mam vertelt dat ze toen voor het eerst heel bang was bij een orkaan. Hazel was de zwaarste van het seizoen. Het hield maar niet op te onweren. Harde regen, donder, bliksem en rukwinden. Op 7 oktober 1954 passeerde het centrum van sterke orkaan Hazel ongeveer 90 kilometer ten noorden van de eilanden. Hij had gemiddelde winden van 190 km/uur rond het centrum. Op Bonaire, Aruba en Curaçao werd nog minder dan de helft van deze wind gemeten, maar kwam het wel tot veel regen. Aruba ving zo’n 250 millimeter in 48 uur tijd, Bonaire en Curaçao noteerden circa 125 millimeter.

Tijdens die orkaan begonnen haar weeën. Dagenlang hielden ze aan en hield de orkaan ook aan. De wegen waren nauwelijks begaanbaar en in huis was alles nat.

Bovendien was Mam maar 16. Onbedoeld zwanger en erg bang voor alles wat haar te wachten stond. Het werd een heftige bevalling. De voedvrouw zat door de orkaan vast, dus hielp mams oma Paulina met puffen en persen. Ik werd in de nacht van vrijdag op zaterdag 17 oktober 1954 geboren.

Na alle angst en pijn werd Mam beloond haar eigen ‘popchi pretu’, zwarte pop, zei ze altijd. Klein en mager. Maar met alles der op en eraan. Jammer genoeg heb ik geen babyfoto’s. Een baby’tje dat maar niet goed wou drinken. In ieder geval geen melk. Maar toch heel erg vrolijk bleef.

Ik werd Jenny Edith de Lannoy genoemd.

Er was eerst sprake van vernoemen. Ik zou dan Margarita hebben geheten naar mijn oma . Mijn moeders moeder Maar dat vond ze geen goed idee. Die naam had haar niet veel goeds gebracht. Ze wenste haar eerste kleinkind een beter leven toe. Het werd Jenny, kort en modern. Edith vanwege de heilige Editha van de 17de oktober.

De Lannoy de naam van mijn moeder. Haar meisjesnaam. Die kreeg ik automatisch omdat mijn ouders niet getrouwd waren en mijn vader mij niet had erkend. Jenny Edith de Lannoy, dus, heb ik altijd een mooie naam gevonden.

Met 6 weken werd ik gedoopt. Katholiek. Waren we toen nog . Op een zaterdag. De zondag was voor niet-buitenechtelijke kindjes. De pret was er niet minder om. Het was een gezellig feest weet mijn moeder zich te herinneren. Iedereen was dol op de nieuwe baby . Een echt ‘bautismo’ feest met veel cadeautjes en taartjes. Met cadeautjes van madrina Sira en peetoom Andres.

Van vaders kant was niemand op het feest.

 

Mijn Santa Rosa

Onze familie heeft altijd op Santa Rosa gewoond. Ik ook. Totdat ik, 17 jaar oud, naar Nederland kwam. Mijn Santa Rosa. Ik heb me daar altijd heel erg goed gevoeld. Heel veilig, echt thuis. Toen ik klein was vond ik daar alles wat ik nodig had. Ik ging hooguit een paar keer per jaar weg uit Santa Rosa. Mijn jongste herinneringen zijn prettig. Daar in ons huis op Santa Rosa. Wakker worden met geluiden van vogels als de barika hél, chucchubi en totolika.

Naar buiten lopen en op de stoep naar de blo blo’s, lagadishi’s en pingi’s. En rennen naar onze andere ‘buitenhuisdieren’. De geiten, kippen, duiven, konijnen en onze honden

Noord Santa Rosa 10

Je vind ons terrein als je op de Santa Rosaweg op de hoogte van het beisballstadion, gelijk ná café Chandy, rechts afslaat. Tegenwoordig een geasfalteerde weg. Rechts aanhouden en gelijk ná het volgende weggetje begint ons terrein. De weg kronkelt een beetje naar links, dan weer naar rechts. Op het hoogste deel staat ‘ons’ huis.
Op dit moment staan er twee huizen. Gelijk aan het begin woont Loes, een nichtje van Mam, in het huis van de oorspronkelijke boerderij.

Dat stenen huis kwam pas klaar toen ik al in Nederland zat. Jarenlang hebben ze er aan gebouwd. Het was een droom een groot huis te bouwen waar iedereen in zou passen. Het werd groots, veranda voor en achter, woon- en eetkamer, douche/toilet, keuken en maar liefst 6 slaapkamers. Daarom was het ook zou zwaar en duur om het huis af te bouwen.

Een beetje triest is het verhaal ook . Tegen de tijd dat het klaar was, waren de meeste kinderen al naar Nederland vertrokken. Jaren later zou Oscar het huis in twee woningen splitsen, en verhuren.

Vijf generaties op de hófi

Na mijn geboorte blijven Mam en ik bij oma Welita en oom Nilio op Santa Rosa wonen. In een klein huisje op het heuveltje bij de hófi. Met twee slaapkamers een open keuken op de veranda en de badkamer buiten. Mijn overgrootouders wonen op de boerderij.

Als klein meisje woon ik er eerst alleen met drie volwassenen. Ik kreeg heel veel aandacht en altijd mijn zin. Als ik bij de een niet terecht kon lukte het bij de volgende. Ik ben de vijfde generatie die op Santa Rosa geboren wordt.

Als kind was ik veel op de boerderij. Mijn siësta’s deed ik daar bij overgroot oma. Ook nadat ze door een beroerte niet kon praten. Op een dag lagen we rustig te slapen toen ze, volgens de verhalen, wakker schrok, overeind schoot en schreeuwde. …..kom help help, “e mucha ta bai kai..’. Het kind gaat vallen.
Yes ….en zo omdat ze zoveel om mij gaf schrok ze wakker , schreeuwde , en was weer genezen.

Of ik ging met overgrootopa plantjes water geven. Een lange dunne donkere man met een grote hoornen bril. Weinig spraakzaam, maar heel erg lief. En heel groene vingers. De boerderij was niet meer in bedrijf, maar hij kon het niet laten . Hij plantte bedden vol tomaten, peterselie, selderij en paprika’s. Ik weet nog zo goed hoe lekker fris het bij die bedden rook. Elke ochtend gaven we de planten samen water. Ik zat heel rustig naast hem en keek uren, naar het groeiende gewas.

Mijn oma Welita had een heel mooie tuin. Een tuin met bomen, struiken en plantjes. Ze had ook tientallen soorten rozen. Van haar lievelingsrozen maakte ze boeketten voor binnen en bij het altaartje met de heilige Maagd Maria.
Ze had ook een mooie verzameling bloeiende cactussen. Eentje die alleen ’s nachts bloeide en dan ontzettend stonk. Zo erg dat we soms dachten dat er een dooie rat lag.

Nu moeten rozen ook heel goed verzorgd worden. En wat is beter dan echt natuurlijke mest van gezonde koeien, zei oma altijd. Dus als klein meisje ging ik regelmatig met oma op zoek naar koeienvlaaien. Dat was precisie werk. Je moest er eerst voorzichtig tegen aan tikken met je voet. Als er snel beweging in kwam zat je goed. Dan waren ze droog, en licht. Dan kon je ze optillen en zo meenemen zonder vies te worden. Als je niet voorzichtig was kon het mis gaan. Zware vlaaien zijn namelijk nog erg nat aan de binnenkant….Níet optillen!

Veel liefde op Santa Rosa

De keerzijde van alle liefde en aandacht was dat mijn familie oh zo bang was om mij uit het oog te verliezen. Ik mocht van alles zolang het met een van de drie was of gewoon thuis. Ik mocht nergens heen zonder hen.

Soms lukte het me om tussenuit te knijpen. Ze kwamen er altijd achter en het betekende altijd dat ik daarna weer beter in de gaten werd gehouden. Zoals die ene keer dat ik weggeglipt was en bij de put beland was. Ik mocht bij de buren spelen. Dwaalde weg naar een schaduwplekje. Schrok op toen een gillende oma te voorschijn stoof. Ik was bij een open put aan het spelen. Ze was woedend, maar vooral heel erg bang. Ik was me van geen kwaad bewust. Maar voor haar was het een bewijs dat ik nog niet bij anderen kon gaan spelen.

Dan maar thuis spelen. Maar ook dat ging niet altijd goed. Ik was dol op lucifers en vuur. Was altijd op zoek naar spulletjes om te verbranden. Op die ene middag had ik schriften verscheurd maakte een kransje om me heen en stak het aan….Prachtige vlammetjes. Lekker warm…lekkere rook… ik moet vreselijk zijn gaan hoesten door de rook. Mam en Welita kwamen aanrennen en tilde me uit de smeulende hoop. En verstoorde mijn pret.

Dus volgde er een tijd dat ik alleen binnen vlakbij een van de moeders rokken mocht spelen…….Totdat Christina bij ons kwam wonen. Zij was mijn redding.

Christina

We speelden vaak samen als haar broer met mijn oom kwam voetballen. Ze woonden verderop in Santa Catarina. Ik was drie, zij een half jaar ouder. Maakten geregeld ook veel ruzie. Ik was heel bazig en zij pikte het niet altijd.

Ik keek steeds vaker uit naar Christina. Was dan ook teleurgesteld als ze niet mee kwam met haar broer. Ze is weer ziek, zei hij dan. Ze was ook heel mager en zag als kind vaak gelig. Ze bleek aan sikecel anemie te lijden. Ze vertelde me dat haar moeder ziek was en niet thuis woonde. Bij ons was mijn vader degene die niet thuis woonde.

Zo ging het maanden. Totdat ze met een bundeltje kleren op de stoep stond. Ik was dolblij dat ze mocht blijven. Ik had nu een eigen speelvriendin.
Christina was de jongste van 8 kinderen, een nakomertje. Haar moeder woonde al jaren in een psychiatrische inrichting. Thuis had ze het niet makkelijk. Bij ons had ze het erg naar haar zin. Al heel gauw gingen we als tweeling door het leven.

We konden lekker samen spelen. Door het snelle drogen door de hitte kraakte de opgedroogde modder. Zo konden we heel makkelijk, maar voorzichtig zogenaamd koekjes uit de modder scheppen, opstapelen en winkeltje spelen.

Aan het eind van een speeldag wachtte ons een lekker ritueel. We werden in bad gestopt. Mam maakte een teil klaar met veel schuimend water waarin we eerst lekker konden spelen en spetteren. Daarna werden we stevig met een washandje geboend. Dan werd ik in een heel grote handdoek afgedroogd, met talkpoeder ingesmeerd en luchtig aangekleed.

Na het eten zaten we dan op de stoep. Met Mam en oma. Oma ging dan eigen verzonnen of Nanzi verhalen vertellen. Het was dan al donker en dat maakte het wel erg spannend en soms ook een beetje eng. Ik kroop dan bij oma op schoot, waar me niets kon overkomen.

José

Als ik acht ben trouwt mam met José. Het valt later erg mee, maar eerst ben ik heel verdrietig. Hij was degene die de plaats van mijn vader had ingepikt.
José, een broer van Christina, was mijnwerker op de Tafelberg. Hij was ’s ochtends al heel vroeg weg. Door de week zag ik weinig van hem. Vrijdags nam hij altijd lekkere dingen mee uit zijn werk. Tentalaria, ‘pan seiku’ en ‘zjozjoli’. Én zijn salaris, in een klein bruin envelopje.
Zondags deed hij vaak iets met vissen. Hij heeft er jaren over gedaan om zelf een boot te bouwen. Heel interessant vooral het buigen van de zelf gezaagde latten uit de katoenboom. De latten werden eerst dagen in water gelegd zodat ze gebogen konden worden zonder te barsten. Om een mooie buiging in de buik van de boot te krijgen.

Ook na het trouwen zal Mam bij haar moeder blijven wonen. Dus moest het huis opgerekt worden om iedereen te bergen. We hadden toen een klein huisje met z’n vijven. Oma , oom, moeder, Christina en ik. Woonkamer, 2 kleine slaapkamers en binnenplaats. Douche en wc buiten in apart huisje Het huis werd met twee slaapkamers, grotere eetkamer en een overdekte keuken uitgebreid.

Het werd een groot trouwfeest. Moeder in een mooie witte jurk en José strak in het pak. Wij dansten de Twist. Maar echt leuk werd het pas een maand later. 17 augustus wordt hun eerste kind sámen geboren, Patricia, we gaan haar al gauw Lies noemen. Oh wat was ik blij.
Ze was een heel mooie baby. Lekker zacht en mollig. Een baby waar Christina en ik de hele dag mee rond zeulden. We waren oh zo blij met haar. Gelukkig liet zij het allemaal toe.

We kregen zowat elk jaar een broertje of zusje bij. In totaal zes. Norman 28 oktober 1963, Mevies 1 februari 1964, Oscar 20 september 1966, Raul 21 december 1966 en George op 28 augustus 1967.

Eerst geiten.. toen kippen

Onze geiten brachten steeds minder op. Ze werden uiteindelijk verkocht omdat ze te vaak gestolen werden. Bovendien was verderop een gemene geitenmishandelaar actief. Geiten kwamen dan strompelend terug en waren binnen een paar dagen dood. Beschadigde nieren. Oma en mam verkochten alle geiten en gingen zich verder op kippen toeleggen.

Jarenlang waren, mijn oom Nilio, Christina en ik geitenherders geweest. ‘Ochtends werd het geitenkoraal opengezet zodat de geiten op stap konden . Water en soms ook lekkere groene malse ‘palu di sija’ takken stonden klaar. Ze moesten zelf hun voedsel gaan zoeken, in de bomen en struiken in de buurt. Zo deed iedereen het in die tijd. En ‘s avonds moesten ze dus weer binnengehaald worden. Dat was een vreselijk karwei. De meeste geiten kwamen voor donker gewoon terug. Maar bijna elke dag miste er een paar na het tellen. Dus werden wij er op uitgestuurd om ze te zoeken.
Ze zaten soms op de meest vreselijke plekken. Tussen cactussen, bij andere mensen op het erf of tussen afval.

Mijn lievelingsgeit heette Mék. Lief mooi zwart met witte vlekken. Ik was dus heel verdrietig toen alle geiten, inclusief mijn lieveling, verkocht werden.

Dus over op kippen…

Het begon met een groter kippenhok, waar misschien wel 200 kippen in pasten. Later werden grote kooien op poten gebouwd waar honderden in konden …niet meer buiten scharrelen. De kuikentjes werden uit de VS ingevlogen. Van die kleine schattige piepende wezentjes.

We hoefden niet zo vaak te helpen… maar als het moest, was het altijd vervelend. Dan moesten we in een groot hok achter kippen aanrennen. Ze oppakken. En dan aan mijn oma geven. Die knipte een stuk van hun snavel af, anders gingen ze elkaar te lijf.
Het allerergste was helpen met slachten èn plukken. Het was eng en stonk. Dus deden we soms rare dingen. Eén keer sneden we de kop van een kip eraf en lieten hem los. Dan snap je gelijk waar de uitdrukking lopen als een kip zonder kop vandaan komt…

Kip bracht geld in het laatje, dus snapten we ook dat je soms mee moest helpen. Wat nog wel ging was eieren wassen. Mijn oma vond dat je het niet kon maken om eieren onder de kippenstront te verkopen. Dus elk ei werd bij ons gekeurd, en zo nodig voorzichtig met een vochtig doekje van stront ontdaan.

Dan in dozen en weg. In de goede tijden waren de nonnen van Schijndel, het ziekenhuis en een cateraar de grote afnemers. Wekelijks werden grote hoeveelheden eieren afgeleverd. Soms moesten wij tussendoor een extra bestelling wegbrengen.

Kip op je bord was meestal slecht nieuws. Toen al aten we zelf niet zo vaak kip. Tenzij er niets anders was. Dus als we vaker in de week kip te eten kregen was het een teken dat de zaken niet goed gingen. Al was mijn moeder heel erg creatief. Het was nooit hetzelfde en haar kip smaakte ook steeds anders…maar toch…..
Gelukkig konden oma en Mam veel meer. Zoals cateren, brood bakken en naaien. Ze bakten grote stapeltaarten voor communiefeesten en trouwerijen. En naaiden van alles, voor ons en voor anderen. Mam kon ook heel mooi borduren en oma kon goed haken en hoeden vlechten. Allemaal extra inkomsten.

Ook brood voor dagelijks gebruik werd in ons zelf gebouwde stenenoven gebakken. Opgestookt met houten takken . Als de bovenkant van de oven grijswit was, kon de houtskool eruit. Zand over de gloeiende houtskool en de broden,’pan será’, taartjes en letters konden in de oven. Het rook heel lekker als er gebakken werd. Eerst de zoete gistlucht van het rijzende deeg en daarna de lucht van vers gebakken brood.

Als ik erop terugkijk valt me weer op hoe vanzelfsprekend het bij ons thuis was om je spullen allemaal zelf te maken in plaats van te gaan kopen. Of het nou naaien of brood en taart bakken was. We deden het zelf. En iedereen kón ook alles, zowel de jongens als de meisjes.

Uitstapjes

Zondag kerk

Als klein kind vond ik het vooral heel mooi in de kerk. Die mooie beelden en prachtige gewaden van de priesters. Ook was het altijd lekker koel in de kerk. We gingen ook voor de lekkere kos dushi die je ná de mis kon kopen.

Later toen we tieners waren was de kerk een ontmoetingsplaats. In die tijd gingen we ook niet meer echt naar binnen voor de dienst. Hooguit om een hostie te halen, zodat een buurvrouw niet kon klikken. En op Palmzondag moest je wel echt gaan. Want dan moest je een gewijd takje meenemen.

Op zondag kwamen vaak vrienden mee na de dienst. Wij mochten bijna nergens heen, maar bij ons was iedereen welkom.

Om de zoveel tijd gingen we biechten met school. Moest. Vreselijk. Ik wist nooit iets om op te biechten. Volgens mij deed ik niet zoveel verkeerds, maar ja je moest wel iets zeggen bij dat hokje. Dus verzon ik zondes, dat ik niet wou afwassen of brutaal was geweest. Meestal kreeg ik zoiets van drie Weesgegroetjes en twee Onze Vaders op als straf. Die moest je dan voor je uit prevelen in een kerkbankje. Kruis slaan als je klaar was en dan kon je er weer een poos tegenaan.

Mijn heilige communie was een groot feest. Ik was katholiek. Gedoopt en al en zat op een katholieke school. En dan deed je heilige communie als je een jaar of 8 of 9 was. Dan zou je oud genoeg zijn om het allemaal te snappen. De catering deden we zelf. Oma en ma hadden dat al veel vaker voor anderen gedaan.

Met de bolo pretu werd maanden van tevoren begonnen. Een dure taart, die niet mag ontbreken op belangrijke feesten als dopen, trouwen, en natuurlijk mijn communiefeest. Bolo pretu is een zware, gevulde cake. Er gaat van alles in. Gedroogde en gekonfijte pruimen, rozijnen, dadel, papaya, citroenschillen, vijgen en kersen. Die worden klein gesneden en in suiker gekookt. Weggezet met kaneel, kardemom, peper, kruidnagel kersen likeur en rum. En allemaal minstens 2 maanden van te voren. Vlak voor het bakken worden er noten en vanille aan toegevoegd.
De hapjes werden een dag van te voren gemaakt. Pastechies, quesillos, dadel yená, igra ku speki, kaas- en bitterballen. Op de dag zelf werd de ponche crema en fruitpunch gemengd.

Die ochtend moesten we nuchter zijn. Christina en ik zagen er heel mooi uit. We renden de hele tijd weer naar de spiegel om naar onze mooie haren met de schitterende tiara’s te kijken. En dan naar de kerk. Ongeveer halverwege de dienst loop je met je ‘madrina’ naar voren. De priester legt dan je allereerste hostie, lichaam van Jezus, op je tong. De smaak viel tegen en plakte ook gelijk tegen mijn gehemelte. Heel raar gevoel.

Het werd een heel leuke feest. Met heel veel gasten. Buren, familie en vrienden. We kregen heel veel cadeautjes….

Oud en nieuw

Oud en nieuw was een groot feest. Vooral ook omdat Mam op die dag jarig is. Er moest van alles gedaan worden. Om te beginnen moest het huis hélemaal schoon zijn. Vloeren gedweild. Vaak nieuwe gordijnen gemaakt, gepoetst en geboend. Het nieuwe jaar moest je schoon en opgeruimd ingaan. Want de stand van zaken op 1 januari is bepalend voor hoe het jou het hele jaar vergaat!
Lekker bijgelovig. Mét een knipoog. Daarom werd ná het schoonmaken het huis ook nog door mijn oma bewierookt. Om alle boze geesten weg te jagen.

Na het schoonmaken was het tijd om te vieren. Geen oliebollen, maar makreel en zalm met uitjes op zuur, geroosterde ham, ayaca’s en gevulde kippen en lekkere taarten. En heel veel vuurwerk.

Strand

Heel soms gingen we ’s zondags naar het strand. Ik vond het heerlijk en heel spannend. Het voelde echt als een dagje uit. De voorbereidingen begonnen zaterdag al .Kippenbouten kruiden, aardappelen schillen om zelf batata hasá te maken en ijs blokjes maken voor de limonade. Popcorn bakken.

Meestal gingen we naar Santa Cruz strand. De grap was dan om zo vroeg mogelijk aan te komen om een mooi plekje met veel schaduw te bemachtigen. Het liefst onder een van de afdakjes. We hadden in die jaren geen strandstoelen en parasols mee. Alleen stranddoeken, kussens, handboeken en Chinese oprolbedjes.

Toen we nog niet konden zwemmen, vertrouwde oma ons helemaal niet alleen in het water. Ze kwam er bij zitten, in de branding. Wie deden wie het langst onder water kon blijven en het snelste een hand vol schepjes kon opduiken. Oma ging verder heerlijk rustig met haar pijp tussen de tanden heen en weer wandelen en soms een dutje doen. Na een hele dag in het water was het heerlijk om ’s avonds in bed nog steeds de golfjes in je buikje te voelen.

Punda

Ik kwam maar een paar keer per jaar naar Punda. De grote stad vond ik als kind een waar feest. Echt een uitje. Soms gingen we op zondag langs de Handelskade wandelen. Naar de grote schepen kijken en over de ponton brug van Punda naar Otrobanda en weer terug. Het leukst was het als je heen of terug met de klotsende pont kon. Daarna gingen we, meestal met oma Welita, windowshoppen en een ijsje halen. Maar ik kwam er pas écht toen ik naar school ging.

School

Kleuterschool

Met 4 jaar ging ik naar de kleuterschool. Helemaal naar de stad in de wijk Pietermaai, Punda. Een beroemde wijk waar vooral joodse kolonisten woonden. Aan de hoofdstraat stonden ook enorme grote en heel mooie huizen. Net kleine paleizen. Ik keek mijn ogen uit. Maar als je ook de zijstraten en steegjes inging, zag je een andere wereld. Kleine oude en vochtige huizen, waar de bediendes van de rijken woonden.

Plotseling was ons huisje veels te klein voor me. Ik kon weg uit Santa Rosa, de wereld gaan verkennen. Ik wist van mijn oom Nilio dat daar buiten ons dorpje heel veel te halen viel.

Het was weer een hete september op mijn eerste schooldag. Een meisjesschool. Bij de nonnen, de zusters van Schijndel. Samen met Christina, die al 5 was. In oktober zou ík 5 worden. Ik vond het erg spannend. Ik had een mooie jurk aan en brood met pindakaas mee.

Ik was erg trots, dat ik al een paar woorden Nederlands kon. Tot tien tellen en zeggen hoe ik heette. Van oom Nilio geleerd. De meeste kinderen leerden dat pas op school. Want terwijl wij allemaal thuis Papiamentu spraken werd je op school gelijk in het Nederlands aangesproken.
Het was een heel mooie tijd. Tekenen . Plaatjes inkleuren. Met houten blokjes spelen en vooral heel veel rennen op de speelplaats ….Tikkertje spelen. Zingen.
‘S middags deden we een dutje op school. Gewoon met je hoofd op je gevouwen armen op je schoolbank. Ogen dicht en weg was ik. Was heerlijk.

Eén vervelende ervaring. Met Marvis mijn beste vriendin. Ook uit Santa Rosa. Ze stelde voor als beste vriendinnen alles met elkaar te delen. Brood, snoep maar ook geld zei ze. Ik was het met haar eens. Totdat ik merkte dat zij nooit geld mee had. Ik weet niet meer hoe ik de afspraak terug gedraaid heb. Weet wel dat ik er slapeloze nachten van had. Maar dat het me wel gelukt is. Helaas was de vriendschap ook over.

De lagere school

Het echte leren begon daarna op de lagere school. Skol abou. De lagere school zat samen met de MULO in het hoofdgebouw, naast de kleuterschool.

Omdat we helemaal in Punda op school zaten, moesten we ’s ochtends heel vroeg op. Ik kwam niet gemakkelijk uit mijn warme bed. Vooral in december en januari vonden we het ook erg koud. Dan kookte mam warm water voor in bad ‘ochtends. In een zinken teil in de keuken. Dan kwam je een beetje op temperatuur. Snel aankleden . En naar school. Meestal werden we door oom Pablo in zijn Ford Taunus gebracht én gehaald.

We droegen schooluniform. Gek vonden we het toen niet. Iedereen die wij kenden droeg een uniform. Handig als je spijbelde of je op straat misdroeg. Het was eigenlijk bedoeld om verschillen tussen arm en rijk kleiner te maken. Door de uniformen kon je ook goed zien of je op een gratis school zat of niet. Dus juist onderscheid. Uit school moest je eerst je uniform uittrekken en netjes ophangen. Dan pas je thuis-kleren aan en spelen.

Op onze lagere school werkten alleen nonnen en juffen. Behalve het hoofd, een grote Nederlandse man. Ik was een beetje bang voor de nonnen en dol op de juffen. De nonnen waren ook strenger dan de juffen als het ging om het spreken van Papiamentu op school.
De juffen leken meer op ons. En zij konden ook álles zien. Ik was er echt in getrapt toen de juf vertelde dat ze ook met haar rug naar de klas toe kon zien wat we deden. Ik wist zeker dat ze speciale ogen op haar rug had of spiegeltjes in haar bril of zo. Ik kon me al heel vroeg enorm identificeren met deze juffen.

Het ging heel goed op school; ik haalde hoge cijfers. Was vooral goed in rekenen, tafels en hoofdrekenen. Ik vond het heerlijk om elke ochtend de tafels samen op te dreunen, en bij een beurt uit te blinken.
Vooral hardop lezen vond ik moeilijk. Ook kon ik me niet inleven in de oer-Hollandse verhalen. Onze boeken kwamen uit Nederland. Het waren verhalen over kinderen die echt te veel kleren aan hadden. Die klaagden over kou, vorst en vocht. Allemaal heel zwaar en verdrietig. De vaders gingen uit varen en kwamen alleen terug als er een kindje geboren was, dat vaak ook nog dood ging….Allemaal ver van mijn bed show.

Met Christina ging het minder op school. Ze was weer vaak ziek. Ze liep achter, en bleef zitten. Ze had sikkelcel sikecel anemie. Christina had vaak zo’n crisis. Waardoor ze weken in het ziekenhuis lag en soms maanden niet naar school kon.

Ongesteld. Een enge ervaring. Waarom had niemand dat verteld? Zo stom. Ik schrok me bijna dood toen ik ongesteld werd. Was 10 . Heel jong . En leek zomaar leeg te bloeden. En het allerergste was, dat zowel mijn moeder en oma ook schrokken. Zeiden dingen als. “Zo jong…" en "Je moet nu echt voor jongens oppassen" of "Je moet nu echt héél goed op jezelf letten …dat er niets gebeurt…..”

Verwarrend was het adviesgesprek op school toen de einduitslag binnen was. Ik was geslaagd - had heel hoog gescoord zelfs - maar moest blij zijn met de MULO, zei het hoofd. Ondanks de hoge score gaf hij geen HBS advies. De hoofdmeester vond, dat gezien mijn afkomst de MULO goed genoeg was. Kon ik daarna gaan werken en mijn moeder helpen.

Aubade

Een privilege van in Punda op school zitten was mee mogen doen aan de aubade.

Op Koninginnedag is het op Korsou ook altijd feest. Vanuit school gingen we de koningin toezingen.
We liepen dan 's ochtends vroeg plechtig in mooie strakke rijen, in uniform, naar het gouverneursplein bij het regeringsgebouw. Dan kwam de gouverneur te voorschijn op het bordes, geflankeerd door heren in pak en heren in witte uniformen met vele knopen en strepen.
Eén keer waren de prinsessen Beatrix en zusjes er ook bij. Toen was het extra spannend.
En wij zongen het Wilhelmus uit volle borst……

Groot worden op Santa Rosa

Ik had een heel bijzondere positie daar op Santa Rosa. Eerst was ik alleen met die drie volwassenen. Ik kreeg heel veel liefde en warmte. Was vaak het middelpunt en werd wel erg verwend. En dan vooral door mijn oma. Oma was de baas. Oma bepaalde alles. En ik mocht alles van haar. Als kind genoot ik ervan, en ik wist ook niet beter. Ik kreeg extra snoepjes en koekjes, mocht altijd iets uit oma’s bord kiezen.
Geweldig zo’n oma. Maar niet helemaal. Ik was trots op haar. Ze was sterk, hield haar rug recht en kwam voor ons allemaal op.. maar oma was niet alleen maar top. Oma kon ook heel erg bot zijn. Gemeen als ze je niet zag zitten. Zo trok ze me ook voor tegenover Christina. Ook Oscar kon niet veel goeds doen. En hoe ouder ik werd, hoe meer ik last kreeg van de positie die ik had. Ik moest het ook altijd met háár eens zijn. Ik kwam in een loyaliteitsconflict tussen mijn oma en mijn moeder. Mijn moeder voelde ik in die jaren ook erg op de achtergrond. Ze had geleerd haar moeder nooit tegen te spreken. Nou dat ging ik op een gegeven moment wél doen. Ik puberde en zag het niet zitten om het altijd met oma eens te zijn. Ze was heel ouderwets en kon soms de raarste dingen verbieden. Zoals afwassen met een borstel. Dat was niet goed. Waarom? Terwijl zij nooit afwaste. Ik kwam steeds meer voor anderen op tegen de zin van oma. Vooral voor mijn broers en zussen. Juist ik kon dat ook. Dat kon ze niet aan. Toen riep ze plotseling mijn moeder erbij. Hoor hoe je dochter tegen mij praat……

De verhoudingen veranderden langzaam. Oma was niet meer alleenheerser. Mam kwam steeds meer in beeld.

 

Tiener op Korsou

De middelbare school

Christina gaat naar de huishoudschool. Met een beetje tegenzin begin ík aan de Mulo. Maar leg me er gauw bij neer. Er komen nieuwe meisjes op school en zo raak ik naast Janet nu ook met Maritsa en Lidwina bevriend.

We lopen elke dag in de pauzes gearmd rond. En zijn steeds meer met ons uiterlijk bezig. Daarom hebben we grote problemen met onze nieuwe uniform. Het viel niet mee als tienermeisje op een nonnenschool te zitten. De uniformrok kwam tot over je knie terwijl een beetje tiener in een minirok rondliep. De moeder van mijn vriendin Janet was zo slim de rok echt in te korten. Bij mij thuis zagen ze dat niet zitten. Dus zat er voor mij, vriendinnen Maritsa en Lidwina niets anders op dan de rok op te rollen.

Mijn eerste jeugdpuistjes sprongen te voorschijn. Vreselijk. Dus snel naar de winkel om Sulfoderm te kopen. Daar zou je ze mee kunnen voorkomen. Maar dat bleek natuurlijk niet echt te werken. Maar nu vond ik de veranderingen in mijn lichaam wel prettig. Vooral borsten krijgen. Niet meer zo plat zijn. Een bh mogen dragen en bij de oudere meisjes horen. Ik weet nog hoe trots ik was toen ik met mijn eerste bh naar school ging. …

En dan de jongens. We zaten op een meisjesschool. Pas later als we met Viola naar dansfeesten mogen krijg ik jongens een beetje van dichtbij te zien.

Tot mijn dertiende is alles geweldig. Thuis goed, leuke school en heel veel pret met mijn vriendinnen. Christina en ik hadden veel vrienden. We mochten nergens heen, dus werd er bij ons thuis afgesproken. Zowat elke zondag ná de kerkdienst. Het was de tijd van hot-pants. Na heel lang zeuren kregen we die ook. Kwam goed uit. Gelijk aan naar de hot-pants tuinfeestjes.

En dan gaat mijn vader zomaar dood.

Grote afwezige, mijn vader

Ik heb mijn vader nooit ontmoet of nooit kunnen aanraken. Nooit gezien of gehoord. Ook niet uit de verte. Terwijl hij nog wel leefde toen ik klein was. Als kind dacht ik vaak aan hem. Stiekem. Alleen. Om de een of andere reden durfde ik niet al die vragen, die ik wél had, te stellen. Ik ging er niet onder gebukt, maar hoopte wel dat mijn vader ooit zou komen. Op een kinderlijke manier waarop je gelooft dat dingen die je heel graag wil, vroeg of laat gebeuren, door het heel gewoon erg graag te willen.

Ik heb hem helemaal nooit gezien. Mam heeft hem nádat ze zwanger werd, nog maar twee keer gezien. Een keer stiekem met behulp van haar vriendin. De andere keer was vlak ná mijn geboorte, bij ons thuis.
Ik was net geboren en daar stond mijn vader plotseling op de stoep. Hij zei niet veel. Maar haalde 10 gulden te voorschijn. Stond daar een beetje onhandig bij mijn bedje. Heeft me niet opgetild. Niet eens aangeraakt.
Mam was woedend, verdrietig, en beledigd. Vreselijk. Ze heeft zijn geld ook niet aangenomen. Als je niet echt geïnteresseerd bent in je kind hebben we je geld ook niet nodig, zei ze.
Mijn vader Ronald, doet verder geen moeite om ons te ontmoeten. Om vader te spelen. Hij is in ieder geval nooit meer langsgekomen.

Over mijn vader praten deden we thuis niet. Bijna nooit. Althans nooit gewoon. Soms zei mijn oma of iemand die op bezoek was zomaar tussendoor ”Goh, je lijkt wel erg veel op je vader.” “Ja, kijk ze heeft ook zo’n groot voorhoofd. En die ogen zijn ook van die familie…kijk….….”
Ik dacht dat mijn moeder altijd verdrietig werd als ik iets in die richting vroeg. Dus deed ik dat ook niet.

Over mijn vader werd wel gepraat als mijn tante Jolanda - een zus van mijn vader - op bezoek kwam. Zij was de enige uit de familie die contact met ons onderhield. Ze kwam minstens een keer per jaar op bezoek. Nam dochtertje Omaira mee.
Tante Jolanda en mijn moeder gingen meestal ergens buiten in de schaduw zitten kletsen. Hadden veel plezier samen. Ik wist zeker dat het over mijn vader ging. Moest wel. Hoopte ik ten minste. Zeker weet ik het niet. Ze gingen altijd zachtjes praten als ik in de buurt kwam. Dan moest het wel over hem zijn gegaan.

Ik wou ook een vader. Mijn eigen vader. Hij moest gewoon komen. Dus vond ik het heel erg moeilijk om zomaar door vreemden als vaderloos kind aangesproken te worden, zoals een keer op de lage school met Sinterklaas. Met Sinterklaas, ja.
We vierden vroeger altijd sinterklaas . Toen ik klein was en mijn black awareness nog niet ontwikkeld had. Gezellig en spannend. Thuis zette je een schoen. Bij de deur. Met benzine voor de auto van Sint . Die kwam bij ons gewoon met de auto. Niet over daken op een paard. De volgende dag lag er een cadeau in je schoen.
Dat ging allemaal goed totdat een non mij een keer daags voor Sinterklaas uit de klas haalde. Ik moest mee naar het hoofd van de school. Daar stond ik met nog 7 meisjes. Het hoofd keek trots, verwachtingsvol en streng tegelijk. ‘De nonnen willen jullie verrassen’. Er zijn kinderen zonder vader bij die geen cadeau kregen met sinterklaas. Ik was woedend…boos, beledigd en verdrietig. Hoe durven ze! Ik had hun stomme cadeau niet nodig. Ik kreeg altijd mooie cadeaus thuis. Ik werd juist heel erg verwend…..
Maar ik bleef stil. Van woede kreeg ik geen woord over mijn lippen. Ook niet om te bedanken. Nam hun cadeau aan en liep weg. Ondankbaar vonden ze me toen. Onbeleefd.
Ik had die stomme pop zo voor hun voeten willen gooien en weg rennen. Heel ver weg. Thuis barstte ik in tranen uit. Vertelde alles. Dus bracht mijn oma een dag later een bezoek aan de nonnen om ze toe te spreken . Ik was heel trots op haar dat ze dat durfde, haar ‘mannetje’ stond en niet met ons liet sollen!

Ik gaf mijn vader de schuld van dit alles. Als hij ons niet in de steek had gelaten, was dit nooit gebeurd. Ik was voor het eerst duidelijk boos op hem…Maar ik bleef wel op hem wachten…hij kon altijd nog komen en alles goed maken.

Daarom was ik helemaal in paniek toen ik hoorde dat mijn moeder ging trouwen. Vooral toen ik goed doorkreeg wat het betekende. Als mijn moeder met die vreemde man zou trouwen, zou ze nooit met mijn eigen vader kunnen trouwen….Zou mijn eigen vader nooit terug kunnen komen.
Wat het nog enger maakte was de discussie over mijn achternaam. Het was de eerste keer dat ik mijn moeder en oma echt ruzie hoorde maken. Mijn oma vond, dat de nieuwe man mij niet zomaar mocht echten en zíjn naam geven.
Tot mijn grote opluchting mocht ik mijn naam houden. Gewoon Jenny de Lannoy blijven heten. Maar de kans dat mijn vader met mijn moeder zou trouwen was voorgoed verkeken. En ook dát was de schuld van mijn vader.

Mijn vader is dood

Zo was ik heel erg benieuwd naar hoe hij eruit zag. Die wens is nooit in vervulling gegaan. Hij is verongelukt. Dood was hij zomaar. Ik was 13.

Mijn vader stierf op 6 november 1967. Een vreselijke dag. Toen ik uit school kwam en de auto van een oudoom voor de deur stond, dacht ik eerst gezellig ….bezoek. Toen ik naar binnen liep voelde ik dat iets mis moest zijn. Niemand huilde of zo . Nee, ze bleven plotseling allemaal stil toen ik binnenkwam. Ze keken me allemaal met medelijden aan. Toen vertelde mijn moeder het.

Mam begon te vertellen dat ze zo oh zo veel spijt had. Spijt dat ze me niet eerder in contact met mijn vader had gebracht . Ze was het echt wel van plan geweest, zei ze. Ik moest haar echt geloven en vergeven. Dacht alleen dat ik nog niet oud genoeg was. Het was nu echt te laat. Je vader wordt vermist zei ze. Hij is waarschijnlijk dood.

Die ochtend was de grote brug, die over het Schottegat gebouwd werd, ingestort. Die noodzakelijke vaste verbinding tussen de stadsdelen Punda en Otrobanda die door de sint Aannaai van elkaar gescheiden werden. De brug werd vanuit beide oevers opgebouwd en was 50 meter hoog. Het deel vanuit de oostelijke kant zakte die ochtend in het water. Constructiefout bleek later. Op dat moment waren tientallen mannen op die bouwput aan het werk. Vooral lassers. De brug werd opgebouwd uit containerachtige onderdelen die aan elkaar gelast en geklonken werden. Mijn vader was lasser.

Aan het eind van de middag kwam er bericht dat een vinger van mijn vader was gevonden. Met zijn ring eraan. Dus wisten we nu bijna zeker dat hij daar in het water moest liggen. Dood. Er kwamen in totaal 15 mannen om het leven.

Een paar dagen later stonden foto’s van de vermisten in de krant. Ook eentje van mijn vader. Ik kon eindelijk zien hoe hij eruit zag. Ik heb die krant geaaid en gekust, onder mijn blouse gestopt en heel lang mee gehuild.

Zijn lichaam is pas 14 dagen later gevonden. Hij is vrijwel gelijk begraven.

Volgens mij heb ik toen dagen lang alleen maar gehuild. In mijn eentje. Kreeg vreselijk dikke ogen. Wou niet eten maar vooral met niemand praten. Ik was niet te troosten. Ik was een vader kwijt die ik nooit had gekend. Een vader waar ik zo erg naar verlangd had. Waar ik ook boos op was. Die ik veel verweet. Aan wie ik zoveel had willen vragen. Een vader die ons in de steek had gelaten. Een vader van wie ik nog steeds hou. Míjn eigen vader. Waar ik toen al 13 jaar op had zitten wachten. Het wachten was voorbij. Hij zou nooit meer komen……

Ik dacht eerst dat het me niet zou lukken om zonder mijn vader verder te gaan. Ik was vooral boos omdat ik hem nooit ontmoet had. Geen enkele herinnering aan hem had. Maar het is gelukt. Als ik 14 ben wordt Raul geboren. Hij was een heerlijke baby, met hele mooie en scherpe oren. Ik gedroeg me een beetje als zijn nanny. Na school nam ik hem op schoot, met fles of hapje. Heerlijke tijd.

Sweet fithteen

Ik werd in 1969 15 en Christina ook. Een kroonjaar. Het hele jaar door ben ik met de voorbereidingen bezig geweest. Eerst hebben we Christina’s feest in maart gevierd. Voor mijzelf was dat een soort generale repetitie.

Maar voor mijn feest in oktober had 69 veel meer voor ons in petto.

30 mei 1969

De gebeurtenissen van 30 mei 1969 zouden de Curaçaose samenleving voorgoed veranderen. Ik was 15 en zat in de 9de klas van de MULO. Op school midden in de stad. In een gebouw met twee verdiepingen en een groot hek. Het was de hele ochtend al rumoerig op school. Alle leerkrachten werden bij het hoofd geroepen. Op een gegeven moment werd het hek op slot gedaan. Met ketting en slot. Was ook nooit eerder gebeurd overdag terwijl alle kinderen binnen zaten.

Het duurde uren voordat ze ons vertelden dat er een opstand was. We werden nog banger. Een opstand? Zoiets als in Latijns Amerika met schieten en zo?

De stoet met opstandige arbeiders die het niet meer pikten liet de school met rust. Gelukkig .

Toen we thuis kwamen zaten oma en ma gekluisterd aan de radio. Een staking was uit de hand gelopen, zeiden ze. Arbeiders die hetzelfde werk als hun collega’s deden, maar tegen heel slechte arbeidsvoorwaarden pikten, het niet meer. Onder leiding van vakbondsman Godett waren ze gaan staken en een opmars begonnen naar de regeringsgebouwen in Punda.

Hoe de vlam in de pan sloeg weet niemand precies. Er zijn verschillende versies. Hoe dan ook, er is aardig wat vernield. Gebouwen in brand gestoken. Plunderingen. En minstens 3 doden, waarschijnlijk onschuldig; Neergeschoten door Nederlandse mariniers die gelijk waren ingevlogen.

De opbrengst, een wakker geschudde samenleving. Onderdrukking van de zwarte bevolking werd niet meer gepikt!

Black is beautifull

Tegen de tijd dat we eindelijk ons haar móchten relaxen, wóu ik het niet. Ook op Curaçao was de progressieve explosie van de zeventiger jaren overal te voelen. En dan niet met hippies met lange haren en flower power. Voor ons begon het met uiterlijkheden. Je was cool met een afro coupe. Geen make-up. Alles puur natuur. En qua kleding een dashiki. Lekker wijd met Afrikaans motief. Met handgemaakte leren sandalen aan je voeten.

Voor de inhoudelijke kant gingen we naar de bijeenkomsten in Punda. Daar hoorde ik voor het eerst van Marx, het kapitalisme, onderdrukking, communisme en Fidel Castro.

Het waren fantastische bijeenkomsten, waar je iedereen tegen kwam. Ik voelde me jong en vrij en modern. Maar vooral strijdlustig. Daar werd ik ook heel erg nieuwsgierig naar onze eigen geschiedenis en sociale verhoudingen. Ik was altijd al heel erg trots op mijn taal geweest. Juist misschien omdat ze op school zo denigrerend over deden.

Op de Benedenwindse Antillen is onze taal, het Papiamentu, een positief effect van de slavernij. Een taal waarin o.a. het toonpatroon de schakel vormt met Afrika. Bovendien zorgt dit verschijnsel ervoor dat in het Papiamentu de ritmische poëzie, extra kracht krijgt. Dit poëziegenre probeert het ritme van Afrikaanse percussie-instrumenten na te bootsen. De afstammelingen van de slaven in beide Amerika’s uitten zo hun pijn en vernedering, maar ook hun vreugde. Zoals het volgende gedicht van Pierre Laufer:

Tumba

Kanga bo saya
Dui, mi korona,
Kokobiá tumba
Te mardugá

Yanga, mi skèrchi
Di puru stabachi,
Zoya, mi bichi
Bo kurpa ankrá

Faha bo kustia
Mucha djingueli,
Balia, mi prenda,
Lagami morchá.

Til dan je rok op
Lekker dik wijfje
Wervel de tumba
Tot diep in de nacht

Zwiep met je heupen
Gitzwarte vogel
Kronkel, mijn worm,
Je stevige lijf.

Trek strak die band
Om je lendenen, ondeugd,
Dans met mij, liefje,
Tot ik niet meer kan.

Ik ging op zoek naar boeken van Antilliaanse schrijvers of schrijvers die over de Antillen schreven. Luis Daal, De Palm, Corsen….E rais kun o ke muri.

Ook ik wordt Madrina

Nu klinkt het een beetje gek, maar toen ik 17 was, vond ik het een hele eer om Madrina te zijn. Om gevraagd te worden een kind te dopen. Daarvoor werden meestal volwassenen gevraagd. Maar ook dit onderdeel van de cultuur was aan modernisering toe. Een jonge madrina had als nadeel dat zij, zoals in mijn geval, nog niet een inkomen had en in noodgevallen niet echt voor het kind zou kunnen zorgen. Maar, zo werd geredeneerd, een jonge madrina kan het kind beter begrijpen en nog belangrijker, met school en huiswerk helpen als de eigen ouders dat niet kunnen.

Zo ben ik wel drie keer als Madrina opgetreden, voor Lysette, kleindochter van Mamai, mijn eigen broer George en voor Karin, Sophie’s zusje.

De ceremonie zelf stelt niet veel voor. Mooi gekleed, samen naar de kerk. Samen met de priester prevelen en water over het hoofdje van het kindje laten stromen. De verantwoordelijkheden zijn wat zwaarder. Een madrina zoals dat op Korsou heet, moet als een soort voogd fungeren als de moeder het niet zelf kan. Én met veel cadeautjes komen.

Ik wil naar Nederland

In 1971 deden we examen. Ik deed examen in 10 vakken en ik slaagde….

Ik was definitief van plan om verder te studeren. Soms twijfelde ik wel door de moeizame economische situatie thuis. Moest ik blijven, en een baan zoeken? De kippenfarm en het werk van José leverden duidelijk niet voldoende op. Maar ook mijn moeder was het met me eens dat je er meer aan had om verder te studeren. Zij heeft ons allemaal altijd erg gestimuleerd om te leren en je verder te ontwikkelen. Wij moesten de kansen pakken die zij niet had gehad.

Dus naar Nederland ging ik ook. Gelukkig niet helemaal alleen. Mijn vriendin Lidwina ging ook. En we zouden ook samen op internaat gaan. Dat was een hele geruststelling voor mijn oma en moeder.

Tussen alle opwinding door was ik ook verdrietig en bang. Ik zou voor het eerst echt van huis zijn. Ook mijn eerste keer van het eiland af. Al mijn lieve broers en zusjes missen. En ook Christina mijn tweelingzus. Oma en Mam.

En ook een beetje bang . Wat stond me te wachten? Zou ik alle verwachtingen waar kunnen maken? We vertrokken op 2 augustus 1972, in een groep van ruim honderd beursalen. studenten met een studiebeurs.

 

Nederland

Ik mocht naar Nederland wauuuuuuuuuuuuuw. Geweldig! Dat wou ik zo graag. En nu kwam het allemaal uit. Weken van euforie. Vooral veel kletsen met andere vriendinnen die ook weggingen. En dan de praktische kant. Mijn garderobe. Mijn moeder en oma gingen aan de slag en voordat ik het wist had ik een koffer vol nieuwe kleren, nachthemd en kamerjas én een heel mooie koffer.

Ik gaf een afscheidsfeestje. We hebben veel gelachen, maar ook veel gehuild. Ik begon met echt afscheid nemen. Langs tantes, madrinas en oude buren. Dat viel me eigenlijk heel zwaar. Ik had naïef genoeg daar nog niet echt bij stil gestaan, dat afscheid nemen ook heel emotioneel zou zijn. Dat ik vooral mijn gezinnetje zou gaan missen.

De dag was aangekomen, 2 augustus 1972. Samen met een paar honderd andere jongeren, ging ik naar Nederland, in een gecharterd vliegtuig. Voor mij is het de eerste keer vliegen, maar ook de eerste keer van het eiland af. Ik vind het onmogelijk spannend. Alles verloopt goed, maar slapen lukt ons niet.

Als we gaan landen ziet Nederland er heel gek uit. Met al die groene vierkantjes en rechthoeken. Eenmaal buiten waren we bang dat het veels te koud zou zijn. Maar het viel gelukkig mee. Het was een hete zomer. Schiphol was enorm groot natuurlijk voor ons. Ik was bang dat we zouden verdwalen. Maar de reizen waren goed georganiseerd. Er was een speciaal ontvangstcomité dat de nieuwe studenten kwamen ophalen.

Scheveningen

Ons internaat in Leiden was nog niet klaar. Dus werden we in hotel de Gouden Wieken in Scheveningen ondergebracht. Ook voor het eerst in een hotel. Geweldig. Mooie kamers en lekker eten Het goede leven. Een mooie manier om Nederland te leren kennen. De volgende dag gingen we al op stap. Eerst in Scheveningendorp zelf. Ansichtkaarten voor de familie kopen. Heel spannend zo’n nieuw land. Opvallend was dat alle gebouwen en huizen er zo goed onderhouden uitzagen. Maar ook heel saai en afgesloten. In het dorpje was het druk bij de kleine winkeltjes die van alles verkochten. We keken onze ogen uit, allerlei blinkende prulletjes. Allemaal hebbedingetjes. Wij keken en werden zelf ook uitgebreid bekeken. Kennelijk was men niet gewend een groep zwarte meiden zo maar te zien struinen. Wij giechelden en zij wezen en lachten. Ik vond het gek maar niet vervelend. Totdat ze aan ons haar gingen zitten. Dat was minder. Het begon met een oma-tje met klederdracht en spiegeltjes, die aan mijn afro zat. Voordat ik wist wou iedereen in de winkel aan ons zitten. Ze wreven ook over onze gezichten om te kijken kennelijk of je afgeeft, leek het. Het werd beschamend en benauwd. We renden de winkel uit en zijn daar nooit meer geweest.

Terug in het hotel werden we goed opgevangen door ouderejaars studenten uit Curaçao. Ze moesten heel erg lachen. Maar herkenden het allemaal wel. Ze zeiden, dat het vooral in de kleine dorpjes gebeurde. In Scheveningen aan de boulevard of in den Haag keken ze wel, maar gaan ze niet aan je zitten.

Die middag al namen de studenten ons mee op sleeptouw. Eerst naar den Haag centrum. Ik keek mijn ogen uit. Op Curaçao hadden we maar één roltrap en hier drie dubbele. Maar ik schrok ook van de zwervers en bedelaars. Dat had ik hier niet verwacht . En witte mensen die schoonmaken en straatveger zijn, was voor mij ook erg schokkend. Bij ons hadden witte mensen alleen maar goede banen.

’s Avonds namen ze ons mee naar Scheveningen strand. Geweldig, zee strand, glamour en glitter. En daarna de disco’s in. Ik wist niet wat ik zag. Het werd veel stappen en veel swingen. Jammer genoeg werd er bij sommige disco’s flink gediscrimineerd. Wij mochten er wel in, maar onze zwarte vrienden niet. Dus wij ook niet!

Mijn eerste kennismaking met Nederland was vooral prettig. Een mooie zomer. We genoten ervan dat het zo laat nog licht was. Maar Nederland was ook eenkennig. Keek ons vaak raar aan en maakte vooral duidelijk dat wij vreemden waren

Internaat Leiden

Voor Mam en oma was het heel geruststellend dat ik op een internaat ging. Niet alleen op kamers daar zo heel ver in Nederland. Ik vond het best. Al kon ik me van geen van beide een goede voorstelling maken. Ik was bijna 18 en had altijd thuis gewoond.

Van een internaat had ik eigenlijk een zeer ouderwetse voorstelling. Gelukkig was ons internaat nieuwbouw, net opgeleverd. Drie verdiepingen beneden was er een grote woonkamer, keuken, eethoek en een kantoortje van de directrice. Op de tweede en derde verdieping waren er appartementen voor de directie en kamers voor ons. Er woonden dertig meisjes.Naast studenten uit Curaçao woonden er ook Nederlandse meisjes van rijke ouders die het internaat konden betalen.
Ik had voor het eerst in mijn leve een eigen kamer. Was ik blij mee, maar het was ook een beetje gek om helemaal alleen te slapen. Moest ik wel aan wennen. Verder was het er behoorlijk streng en saai. Leven op internaat was vreselijk suf. Je moest eigenlijk voor 5 uur binnen zijn, in het weekend was dat 8 uur. We hebben maanden actie moeten voeren op een eigen voordeursleutel te krijgen. Ze waren zo bang dat ons iets vreselijks zou overkomen. Een van onze oppasdames, juffrouw Krijnen, zei altijd dat je moest oppassen met jongens. Voordat je het wist was je ‘een afgelikte boterham’.
We ontvangen veel vrienden op het internaat en zo ontmoet ik Winston.

Het was een internaat verbonden aan de Lerarenopleiding NXII. Bestaat onder die naam niet meer. Maar we werden opgeleid om les te geven in de vakken Gezondheidszorg, Koken en Huishoudkunde. Je zat dan ook met alle huisgenoten op school.
De opleiding viel vreselijk tegen . Ik had niets met de vakken. Maar ik haalde goede cijfers, en maakte veel vriendinnen. Was wel in onderwijs geïnteresseerd. Ik leefde helemaal op tijdens de stages op scholen.

Ik had ook voldoende tijd voor baantjes, schoonmaker, keukenassistent in een ziekenhuis bartender en oppas. We werden net als de Curaçaose studenten die er al woonden lid van de L.I.S.C. , Leiden International Student Club. Daar heb ik heel veel weekenden dansend doorgebracht.

Consumentenbond

Ik studeerde in 1976 af en ging als voorlichter, bij de Consumentenbond in den Haag werken. Mijn eerste echte baan. Tijdens het sollicitatiegesprek kreeg ik ruzie met de directrice die vroeg of ik dacht het werk aan te kunnen doen.
"‘Ja, …je komt uit Suriname, dus ik weet het niet zeker".
Ik ontplofte natuurlijk bijna, wat dacht ze wel. Maar ik wou de baan. Dus hield ik me in, maar liet niet over me lopen. Dus beantwoorde ik de vraag met een andere vraag.
" Voldoe ik niet aan de eisen die ze in de advertentie stelde?"
"Ja," zei ze.
" Dus, mevrouw" zei ik, "dat ik uit Curaçao en niet Suriname kom, hoe zou dat mijn werk negatief kunnen beïnvloeden, volgens u mevrouw?"
Daar zat ze dan, mond vol tanden. Klote. Maar ik had de baan wel.

De Consumentenbond onderzoekt en vergelijkt apparaten, diensten en producten. Leden kunnen voor informatie bellen. Interessant in het begin. Maar gauw ging ik me ergeren aan de zeurderige, klagende bellers. Gelukkig kon ik ook meewerken aan onderzoeken en publicaties.

Naar den Haag

Na twee jaar internaat ging ik op kamers en gelijk samenwonen. Eerst naar Noordwijkerhout. Een klein dorpje en niet zo ver van het strand. Later naar den Haag. In een groot huis met allemaal jongeren, waarbij je de keuken, wc en douche met elkaar moest delen. Een grote overgang. Het huis was vooral heel erg smerig. Vooral de douche die altijd verstopt was, waar je in een drab met vieze haren moest stappen. Vreselijk. En het samen wonen viel ook al tegen.

Den Haag is een grote saaie stad. Ik kon daar niet aarden. De enige mensen die ik kende waren de collega’s van de Consumentenbond en daar was niet veel gezelligs bij. Ik zat veel bij nichtje Mafalda in de Bijlmer en Mappie, zus van Omaira. Waar mensen écht leefden. Ik kwam dan helemaal bij!

Ik was in het buurthuis gevraagd om in een werkgroep mee te draaien. Anti-fascisme. Heerlijk. Ik was zo enthousiast, dat ik al gauw in twee groepen zat en ook was gaan jazzballetten. Maar ook andere nieuwkomers opvangen en wegwijs maken in Nederland.
Dat ging een poos heel goed. Ik had allemaal mensen waar ik mee kon kletsen en Winston was weer vooral trots op mij. Totdat hij het allemaal veel te veel vond. Hij ging ook niet meer mee en ging steeds meer klagen over mijn vrienden. Die waren allemaal arrogant en vervelend. Volgens mij lag het vooral aan hem zelf. Ik heb vaak geprobeerd hem bij de discussie te betrekken, maar het lukte niet. Hij had volgens mij wel genoeg brains maar had ze nooit echt ontwikkeld. Ik heb nooit kunnen achterhalen hoe lang hij op school had gezeten.
Ik mocht op een gegeven moment niet zo vaak meer naar het buurthuis. Zeker niet naar vergaderingen. Dus besloot ik die thuis te houden. Ging even goed. Hij was dan weg, maar op een gegeven moment zorgde hij dat ie thuis was en ging achter in de kamer zitten. Hij kon het volgens mij nauwelijks volgen allemaal. Maar vond het na afloop alleen maar gelul en gezeur. Ik mocht eigenlijk niet meer gaan. Vond ik onzin; als hij me dit afpakt ga ik dood in dat huis. Een gesprek hierover leverde mij een flinke klap in mijn gezicht. Ik probeerde hem terug te slaan, maar hij was sneller en sterker en pakte mij in een vreselijke houtgreep.
Ik had toen weg moeten gaan. Want het zou heel snel helemaal uit de hand lopen. Ik vind het heel moeilijk om hierover te schrijven, maar dit hoort er ook bij vind ik.

[...]

In 1978 hield ik het voor gezien bij de Consumentenbond. Het werk en de omgeving konden me niet meer boeien. Alleen dingen doen die anderen bedacht hadden. Mijn eigen creativiteit kon ik nergens kwijt. Dus moest ik actie ondernemen. En dat deed ik ook.
Ik moest verder. Wou een ander leven. Andere vibes. En Amsterdam lonkte. Ik kwam er vaak bij vrienden en bij mijn nicht Mafalda.

Ik ging weer studeren. Ik wou verder studeren en dan terug op Korsou het onderwijssysteem daar te verbeteren. Dat was toen mijn doel. Ik wou heel graag een bijdrage leveren.

Amsterdam

Studeren

Ik ging Onderwijskunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Een fantastische tijd. Ik kreeg een kamer in de studentenflat de Zilverberg. In Amsterdam Noord. Lange gang met 20 kamertjes. Eigen douche en toilet. Een grote keuken waar we kookten, samen aten en tv keken. Elke avond keken we samen naar het Journaal en eens per week de Toppop….. Jeee. Daarna braaf studeren en meestal eindigen met een flesje bier of een goedkoop wijntje.

Rosie van Joan Armatrading was een toen een hit en ik vond het een geweldig nummer. Ik werd een grot fan van haar. We hadden geen computers, geen Internet om te downloaden. Alleen maar cassettebandjes. Met jongens van de afdeling heb ik jarenlang studentenfeesten georganiseerd. Vaak verkleedfeesten. Ik snap niet waar ik de energie vandaan haalde. Ik kon tot diep in de nacht doorgaan en ’s ochtend nog redelijk fris op een college verschijnen. Vooral in de weekenden gingen we van het ene café naar de andere disco. Van Paradiso, naar de Kroeg en dan nog Dansen bij Jansen. We eindigden meestal in een nachtcafé in de Dapperbuurt, dat tot zes uur open bleef. Om ‘s ochtends vroeg nog even bij die éne lekkere bakker lekker warm brood te halen.

De studie verliep voorspoedig. Gezellige hoorcolleges en meestal wel interessante werkgroepen . Ik maakte snel vrienden. Vooral door de werkgroepen waar we gezamenlijk papers schreven. Mip en Mariska zaten in mijn jaargroep en Yvonne was een docent.
In die tijd deed je eerst vier jaar Kandidaats . Het algemene gedeelte. Daarna koos je een specialisatie. Dat was je Doctoraal. Als je dat af had, was je doctorandus. In 1985 ben ik in Onderwijskunde én Orthopedagogiek afgestudeerd. Had 7 jaar over mijn studie gedaan!

Kraken

In wou weg uit de studentenflat. In die tijd was het heel moeilijk een huis of kamer vinden. De kraakbeweging was heel actief. Er stonden genoeg woningen leeg waar mensen nog maanden in konden wonen vonden ze. Kraken was ook erg cool. Ik ging dus ook kraken om te protesteren tegen de gemeente.

Protesteren deden we ook toen koningin Beatrix gekroond werd. Met de leus “Geen woning geen kroning”. Het werd een geweldige demonstratie met heel grote opkomst. Met veel politie van de Mobiele Eenheid die charges uitvoerden. Ze lieten waterkanonnen en stokken op je af. Het werd ook een grote puinhoop .

Met behulp van vrienden kraakte een woning aan de Commelinstraat, Amsterdam-Oost. Ik had één kamer, toilet en keuken. Vanuit de woonkamer ging een trap naar een halve vliering. Daar sliep ik. Maar geen douche. Qua comfort ging ik er zeker niet op vooruit. Maar het was stoer. Ik had er principieel voor gekozen. Gewoon tussen de mensen wonen en niet tussen studenten. Daar leerde ik Wiesje kennen nadat er bij ons beidenwas ingebroken .

Een enorm gezellige en actieve tijd in Amsterdam-Oost. Veel discussies die begonnen of eindigden in café Museum aan de Lineusstraat, bij Iris en Jim. Jim was een gezellige Surinaams-Nederlandse kroegenbaas die de hele avond plaatjes draaide. Nog voor de tijd van cd’s. Voor mij was café Museum heel speciaal. Je kon er als vrouw heel makkelijk alleen zijn. En werd je toch lastig gevallen, stond kroegenbazin Iris je altijd bij .

Mijn woning aan de Commelinstraat werd ook gesloopt dus moest ik verder. Niet echt erg. Ik ging eerst een paar maanden naar Curaçao. Toen ik terug was dook ik weer in het kraakcircuit. Gelukkig kon ik na een paar maanden terug naar Oost. Nu naar de von Zesenstraat. Ik ging eerst samen met Ronald uit de studentenflat.

Gezelliger werd het met de komst van Norman en later ook Mechi Nonchi en Derwiç. We waren weer met een deel van de familie bij elkaar. Een kleine familie. We deden weer van alles samen. Eindeloos slenteren op de Dappermarkt. Veel vis met banaan gebakken, mét de geweldige tomatensaus. Lappen gekocht op de markt en net als thuis samen kleren gemaakt. Veel pakjes voor Derwiç .En na het eten eindeloos spelletjes doen. Risken, hartenjagen en pokeren. Met Wies, Norman en Jeroen.
’s Zomers leefden we op onze brede stoep. Een heel gezellige boel met al ‘onze’ kinderen. Wies en ik trokken veel op met onze Turkse en Surinaamse buurtkinderen. Vooral de kinderen Kaya.
Als kraker kon je later 50 gulden huur gaan betalen. Zo kwam je in aanmerking voor een nieuwe woning. Dat klonk niet verkeerd. Zo kwamen Norman en ik in een nieuwbouw driekamerwoning aan de Tweede van Swindenstraat . Met een mooie verhuispremie, waar we mooi een wasmachine van konden kopen. Dus gingen we feesten.

Curaçao

In december 1973 ging ik voor het eerst weer op vakantie naar huis. Gek genoeg woonden ze niet meer in ons oude huis. In 1970 was begonnen met de bouw van een nieuw stenen huis. Daar kon inmiddels in gewoond worden. Helemaal klaar was hij niet.

Oh wat was ik blij mijn familie te zien. De broers en zusjes waren zo groot geworden. Ik had voor iedereen cadeautjes meegenomen. Ik was zo blij weer thuis te zijn. Christina had inmiddels een vriendje Lenny. Leek heel serieus.

 

Reizen


Naar Afrika

Naar Afrika. Eindelijk. Ik had er mijn hele leven van gedroomd naar Afrika te gaan. Als kind al had ik enorme behoefte naar het land van mijn voorouders te gaan. Volgens mijn moeder zei ik al toen ik 5 was….Ooit ga ik naar Afrika, naar het land waar we vandaan komen. Terug naar Afrika, op zoek naar mijn wortels.

In 1978 werden mijn plannen eindelijk concreet. Ik ging naar West-Afrika. Naar het gebied waar onze voorouders vandaan komen. Ik was vooral in Ghana geïnteresseerd. Met mijn toenmalige vriend vloog ik van Parijs naar Togo. Dat was op dat moment het goedkoopste ticket naar West-Afrika.

Daar was ik dan eindelijk in Afrika. Naïef genoeg had ik verwacht gelijk thuis te zijn. Een van hen te zijn. Ik was ook zwart en oorspronkelijk ook afrikaan. Maar de praktijk was anders. Iedereen was heel aardig en nieuwsgierig. Maar ze zagen me echt niet als een van hen. Het bleek ook heel erg moeilijk uit te leggen waar ik vandaan kwam. Tot mijn grote verbazing waren de meeste mensen nauwelijks op de hoogte van de slavengeschiedenis. En voor zover ze dat wel kenden dachten ze dat de slaven allemaal naar Amerika vervoerd waren. Van het Caribisch gebied en Curaçao hadden ze nooit gehoord. Ook waren ze niet op de hoogte van de koloniale geschiedenis om te snappen hoe ik in Nederland terecht was gekomen. Het liefst zagen ze me als Amerikaan. Uit New York. Zo weggelopen uit een heel spannende film. Niet echt gek de meeste zwarte toeristen die ik tegenkwam waren ook Amerikanen, getooid in Afrikaanse gewaden op zoek naar hun roots.

Na een paar dagen Togo gingen we met de bus verder naar Ghana.

Dat was een ware belevenis. De bus was oud, geen deuren en ruiten meer, maar wel een grote bagagedrager bovenop. Daar werden onze koffers op gegooid. Ik dacht als dat maar goed gaat. Vooral toen ik zag wat er allemaal nog op gegooid werd. Kooien vol met kippen en bush-rat. En allerlei dozen en zakken met allerlei vreemde uitpuilende dingen. En dat was alleen maar de bagage.

Omdat wij de enige vreemdelingen waren mochten we als eerste in de bus. Terwijl er een heel grote groep stond te dringen. Tot mijn grote verbazing gingen ze allemaal mee. Ín de bus, op de bus én hangend uit de bus. Ik hield mijn hart vast. Ik dacht dit gaat nooit goed. De bus reed veels te hard over veel te slechte onverharde wegen. Gelukkig zat ik bij een raampje. Bij de grens werden we aangehouden. Ik hoopte echt dat ze wat mensen uit de bus zouden halen. Maar nee. Ze waren alleen geïnteresseerd in smokkelwaar. Dus werden boetes uitgedeeld. Als mensen die niet gelijk konden betalen werden ze weggevoerd. En nogal hardhandig ook.

We hadden verschillende adressen van onze Ghanese vrienden uit Amsterdam mee. Onze eerste adres was een klein hotelletje. Daar werden we hartelijk ontvangen en we zouden gratis kunnen logeren. Maar gratis is niet altijd gratis. Ze zagen me vooral als iemand met geld, waar zij zelf beter van konden worden. Dus vonden ze dat ík steeds moest betalen, of geld moest willen lenen. De hoteleigenaar bleek een engerd te zijn, die ons flink beroofd heeft bij het wisselen van geld. Je spreekt eerst een bedrag af . In dit geval zouden we 13 briefjes krijgen. Die tellen ze zo vaak uit in je hand dat je waarschijnlijk niet meer oplet. Want een poos later hadden we er nog maar 8. Dat was niet prettig.

Een domper gelijk de eerste dag al . Gelukkig was de stad overweldigend. Zoiets had ik nog niet gezien. De hoofdstad Accra is een miljoenenstad. Maar niet als de miljoenensteden die ik kende. Zoals Amsterdam of Parijs. Nee, deze stad was heel anders. Nauwelijks hoogbouw, maar tegelijkertijd helemaal volgebouwd. Met overal toeterende taxi’s en andere oude auto’s, die tussen karren met ezels als gekken dwars door elkaar reden. Vreselijk gevaarlijk.

Maar het meest interessant was de markt midden in de stad. Een enorme markt. Een deel overdekt waar je echt alles kan kopen, eten en drinken. Voor mij ook heel veel vreemde dingen. Zoals slangenvlees en enorme grote enge bushrats. Ja echt, beesten van een kilo of drie die er uitzien als echte ratten. De rest van de markt was ook heel interessant. Een markt waar je werkelijk overal hulp bij kan krijgen. Je kunt er een brief laten schrijven, met een advocaat praten, je haar laten vlechten, een broek maken, je toekomst raden en veel meer. Ik bracht er uren door.

Van de hoofdstad aan de kust gingen we naar de tweede grote stad, Kumasi. Een mooie rustige koloniale stad, waar veel mensen uit de omringende dorpen in klederdracht naar toe kwamen. En al die typische Ghanese spullen kon je hier ook overal kopen. De meest prachtige stoffen, leren sandalen, en heel veel prachtig houtwerk. Daar brachten we Oud en Nieuw door, en waren speciale gasten op een show voor de koning.

Op de weg terug naar de hoofdstad Accra logeerde ik in Konongo bij de zus van een vriend. Een heel bijzondere plek. Een soort commune waar alleenstaande vrouwen met hun kinderen woonden. Bij aankomst werden mijn kleren gauw verwisseld door een mooie Afrikaanse doek om mijn lijf gewikkeld. Stevig vast gerold, zonder éen speld of knoop. Het voelde eerst heel raar. Ik was bang dat hij zo van mijn lijf zou afglijden. Maar dat gebeurde niet. Ik leerde ook zelf te wikkelen. Het lukte me uiteindelijk zelfs een baby op mijn rug te wikkelen en rond te lopen en mijn dingen doen alsof ik dat altijd zo had gedaan. We gingen elke dat het oerwoud in. Een geweldige ervaring. We haalden groente en fruit op die ze verbouwden. Gingen palmwijn ruilen bij de palmwijnboeren of op bezoek in een pygmeeëndorpje.

Een dorpje waar alle kinderen met felgele aarde werden ingesmeerd om ze tegen Boze geesten te beschermen. Als me meisjes ongesteld worden en de jongens na een ritueel man zijn, worden ze voor echt eerst in hun leven in een rivier gewassen.

Terug in de hoofdstad Accra bezocht ik de forten van waaruit de slaven ingescheept werden. In de kelders waar mijn voorouders vastgehouden en opgesloten werden schrokken de vleermuizen op van mijn verdriet……

Ik bracht veel tijd door met mijn nieuwe vrienden. Daar vond ik ook een beetje mijn wortels. Zo kwam ik op een avond in een volgend dorpje waar een oudere vrouw rond een vuurtje verhalen aan het vertellen was. Toen de verhalen vertaald werden bleken het Compa Nanzi verhalen te zijn. De Spin verhalen die mijn oma ons mijn hele jeugd had verteld…. Niet te geloven. Deze verhalen hebben de hele slavenhandel overleefd. Ze zijn meegenomen door de slaven en keer op keer doorverteld.

Alléén op reis door Europa

Zomervakantie. 1980. Mijn reisgenoot haakte op het laatste nippertje af. Daar stond ik dan. Ik besloot alléén te gaan . Ik had altijd al alleen willen reizen maar wist niet of ik het echt zou durven. Nu kon ik het uitproberen.

Dus kocht ik een treinkaartje waarmee je door heel Europa kon reizen, en ging op stap. Eerst naar Oostende, België, in een jeugdherberg .

Raakte daar bevriend met een Française, Isabelle. Zij was ook voor het eerst alleen op stap. We besloten elkaar moed in te spreken. Ik ging mee naar Parijs. Logeerde bij haar maar trok overdag alleen door de stad.

Die zomer heb ik inderdaad alleen gereisd. Naar Múnchen, Rome en Milaan en uiteindelijk helemaal door naar Athene. Geweldig. Ik was blij dat ik het aangedurfd had. Soms was het een beetje eng. Maar als je allee reist kom je makkelijk in contact met andere reizigers. En je kunt elk moment weer opstappen. Dat deed ook soms . Het heeft me goed gedaan!

Venceremos en Cuba

Ik werd gevraagd om te helpen bij de Scholengroep van Venceremos. Dé vereniging van vrienden van Cuba. Cuba was voor mij een goed voorbeeld van hoe rijkdom eerlijk verdeeld konden worden . We maakten boekjes om Nederland te vertellen over het dagelijkse leven op Cuba.

Ik hielp ook met vertalen en tolken . Zo heb ik in 1981 twee weken lang met een Cubaanse zangeres, Sara Gonzales getoerd. Ik kwam zo backstage bij de meest gewelde podia zoals in Paradiso en Vredenburg. Echt kikken.

Zo kwam ik ook op Cuba. Wou zélf gaan kijken, maar de Cubanen ook helpen. Met een Werkbrigade. 6 weken lang. Samen met 150 jongeren uit negen verschillende Europese landen, werken en Cuba leren kennen. We werden samen met nog 50 Cubanen op een sinaasappel plantage ondergebracht.

Het werken was helemaal echt. We werkten aan drie projecten, ‘Bouw Polikliniek’, ‘Bouw Appartementen’ en ‘Snoeien guavebomen’. Je werkte samen met echte vaklui én met Cubaanse vrijwilligers. Op elke werkplek kreeg je eerst een korte training. Ik heb eerst Guavebomen gesnoeid. Deze vruchten bevatten veel meer vitamine C dan sinaasappels. Dus heel belangrijk voor de Cubaanse bevolking. We stonden dan heel vroeg op om flink wat gedaan te hebben voordat het te heet werd.

In de bouw was het beter. Eerst heb ik matten voor gewapend beton gevlochten en later gemetseld. Er werd een polikliniek gebouwd. Ik heb daar twee weken betonnen muren ·

Opgetrokken. Maar ook heel gezellig tijdens de lunchpauze, zingen en dansen.

Aan het eind van de dag is er een kleine vergadering waarin verteld werd hoeveel werk we verzet hadden en wat anders kon. Dan kon je ook je mening geven en nieuwe ideeën inbrengen. Een geweldige manier van samenwerken.

Naast het werken waren er heel veel activiteiten om ons Cuba te leren kennen. We bezochten, scholen, ziekenhuizen, buurthuizen en sigarenfabrieken. Maakten excursies naar het binnenland. Naar Santiago waar vooral afstammelingen van slaven wonen. Die trakteerden ons op de meest swingende muziek en dans.

Maar het meest indrukwekkend was een tocht naar de commandopost van Che Guevarra en Fidel Castro in de….bergen.

Terug in de stad stond de 25ste verjaardag van zelfhulpgroepen in de wijken ‘Comités de Defensa Revolucionaria gepland. Een ander hoogtepunt. Fidel Castro hield weer een uren durende toespraak. Daar was hij om bekend. Hij kon een publiek makkelijk 4 uur geboeid houden. Er was al ruzie wie namens Nederland op het podium mocht. Ik bleef daar ver vandaan. Maar ja, van de Cubanen mocht ik namens de Antillen op het podium.

De anderen moesten op het plein staan. Geweldig was het! Vanaf het podium zag je hoe,bijna een miljoen mensen (volgens de kranten) waren toegestroomd.

Ik voelde me erg op mijn gemak op Cuba. Het was bijna weer thuis zijn. Heerlijk Caribische sfeer. Leuk dat mensen dachten dat ik Cúbaanse was. Kon zo makkelijk door die geweldige oude stad Havana struinen, koffie drinken op de Plaza de Catedral, maar beter nog rumcocktails zoals Mojitos in café Bodequita del Medio of gewoon al die heerlijke ijsjes in el Parque Nacional…uitproberen. Ananas, pinda, guava, vanille…………..heerlijk.

Voor Mechi naar Korsou

In 1981 was Mechi zwanger en ziek, sikkelcel anemie. Pas 16. Ik kon het allemaal niet meer aanzien vanuit Nederland, dus besloot ik maar voor een poos naar Curaçao te gaan.

Bovendien had ik net mijn Kandidaatsdiploma gehaald en wist niet helemaal zeker wat ik Doctoraal wou doen.

Na bijna 10 jaar Nederland vond ik het heerlijk om weer een paar maanden op Korsou te zijn. Het was handig dat ik diploma’s had. Ik vond makkelijk werk op een Huishoudschool, en had wat centjes voor de swing. Het was geweldig om weer samen met de familie een feest voor te bereiden. Weken van te voren spullen voor de bolo pretu klaarzetten. Recepten uitzoeken, lijstjes maken en boodschappen doen.

En dan de drukte van de laatste dagen voor het feest. Eerst de taart bakken en versieren en de hapjes . Een heleboel pastechies, kala’s, quesillos, bitterballen en kaasballetjes. De soep. Kabritu stobá, en niet te vergeten de meegeefpakketjes met taartjes en snoepjes. Het werd een groot feest. Mam had weer voor iedereen nieuwe kleren gemaakt tot en met de pakken van José, de jongens én Nonchi. Buurvrouw Nini was verantwoordelijk voor Mechi’s bruidsjapon. Blauw .

Het kon niet op die zomer. Ik ging ook naar het grootste Caribische festival . Carifesta, dat jaar op Barbados. Twee weken waarin de eilanden met al hun muziek, literatuur, theater en dans bij elkaar komen. Ik wist niet wat me overkwam. Ik ging van feest naar festival, van lezing naar etentje. Heb ontzettend veel van de Caribische cultuur gezien en erg genoten.

In oktober werd Derwiç geboren. Ik ging gelijk naar het ziekenhuis toen ik hoorde dat Mechi met weeën was opgenomen.

Ik schrok van de paniek en de pijn die ze zo duidelijk had….De bevalling ging gelukkig erg snel. Een zogenaamde stortbevalling. Een mooie jongen. Mijn eerste bevalling! Die maanden heb ik ook bewerkt. Met mijn leraren diploma kon ik op veel plekken invallen. Zoals op een huishoudschool.

Met Jeroen naar Curaçao

Spannend met mijn vriendje naar mijn land en familie. We gingen via New York en Santo Domingo.

New York was geweldig en ook heel herkenbaar. Een soort groot Amsterdam. Maar wel van die bijzondere dingen. Het was een warme september. Veel mensen lunchen op straat . Broodjes uit een papierenzak, koffiebekers rondom de vele gezellige optredens op straat.

Zowel in New York als op Santo Domingo was het wel eerst heel hectisch op het vliegveld. In beide gevallen een gedoe om een hotelkamer te vinden. Op Santo Domingo bleken we de eerste nacht in een hoerentent te hebben doorgebracht. Een Antilliaan die daar logeerde gaf ons de volgende ochtend adres voor een normaal hotel midden in de stad .Het bleek een heerlijk hotel. De koloniale binnenstad was de moeite waard. Alleen werden we gek van alle handelaars die illegaal dollars van ons wilden kopen.

We brachten veel tijd door in een in een overvolle oude bioscoop en een heerlijke broodjeszaak waar ze heerlijke ijs en milkshakes verkochten en

Curaçao was weer thuis komen en nu met Jeroen. Tot mijn grote verbazing en tevredenheid mochten we in Mam en José’s slaapkamer slapen. Ook al waren we niet getrouwd.

Ze waren verder allemaal heel aardig en nieuwsgierig naar Jeroen. We gingen veel op stap, en ik vond het heerlijk om mijn eiland te laten zien.

Zo vroeg Ma hem de tweede dag al of hij een keuken voor haar wou maken. En Antilliaan dat hij toen al was, nee zei hij niet. Dus die arme jongen heeft een groot deel van zijn vakantie tussen Hubo en de keuken doorgebracht.

Gelukkig hadden we ook tijd voor het strand. Jeroen ging soms ook alleen op stap. Zo heeft hij in die tijd een patat Criollo besteld bij een snackbar op Santa Rosa. Hij had zich op een heel speciale typisch Curaçaose saus voorbereid .Toen hij een patatje met ketchup en mayo kreeg, was hij erg teleurgesteld. Zo goed is de ketchup ingeburgerd.

 

Familie

Jeroen in mijn leven

Eind februari 1982, op de dag van mijn verhuizing naar de von Zesenstraat, ontmoette ik Jeroen. Ik had met Ronald en vriendin Els al de hele dag gesjouwd. Eindelijk klaar. We waren moe en melig en gingen dus naar de kroeg om de hoek. Het was druk. We kwamen aan een grote ronde tafel met een pinda automaatje te zitten. Voor een kwartje kreeg je een handvol pinda’s. Aan onze tafel zaten twee jongens te vergaderen. Let wel vergaderen in een café om 10 uur ‘s avonds. Met onze melige kop gingen we pindas op hun papieren gooien.

Eén van de jongens was Jeroen dus. Gelukkig konden ze erom lachen. Ze kwamen van een vergadering van de Surinamecomité. Toen het café dicht ging nam ik ze mee naar huis. Ik had nog bier.

We hebben toen nog uren zitten kletsen. Onder andere over Surinaams eten. Zo beloofde ik de jongens een keer Surinaamse kwikwi-vis voor ze te maken. Het bijzondere van de kwikwi is dat je de vis met schubben en al moet klaarmaken. De schubben zitten heel diep namelijk .

Het werd oktober voordat het etentje eindelijk plaatsvond. Na het eten gingen we dansen en doorzakken in een disco aan de 1ste van Swindenstraat die tot 6 uur ’s ochtend open was.

Daar zag ik voor het eerst hoe leuk Jeroen kon dansen. Hij zag er ook goed uit en had heel leuke gympen aan. Hij bleef slapen…..en zo kwam het een van het ander. Een paar dagen later kreeg ik een leuke door hem zélf getekende ansichtkaart met de post. Nou, dat deed het wel. Ik vond hem toch al leuk. Toen ik die avond opbelde om wat af te spreken besloot hij gelijk langs te komen.

Ik was helemaal ontroerd toen hij flink bezweet aankwam en vertelde helemaal te zijn komen lopen. Helemaal vanaf de andere kant van de stad. Zijn fiets was kapot, had de tram gemist en besloot naar de bus op Centraal station te lopen. De bus reed net weg, dus is hij maar komen lopen…echte liefde. Het werd een geweldige avond. Ik was verliefd en voelde me heel erg gelukkig met deze man. Het klikte.

Later kraakte Jeroen een appartement naast mijn huis. Heel gezellig dat hij zo dicht bij was. Toen Norman en ik naar de Tweede van Swindenstraat verhuisden, was Jeroen al naar de Eerste van Swinden verhuisd. We zagen elkaar elke dag en aten vaak samen. In 1984 gingen wij met Norman naar Spanje. In de Pyreneeën wandelen en bergbeklimmen. We hadden er veel zin in. Allemaal nieuwe wandelschoenen en weinig bagage mee. Een prachtig gebied. Maar het werd een kleine ramp. Ik bleek heel erg veel last van hoogtevrees te hebben. Halverwege een niet eens zo hoge berg, boven de boomgrens, ging ik hyperventileren en kon niet meer vooruit of achteruit. Ik had namelijk naar beneden gekeken en probeerde onze tent te vinden. Die bleek niet meer te zijn dan een kleine oranje stip vanaf die hoogte. We waren dus heel erg hoog. Ik was helemaal bang en ellendig. Jeroen en Normen hielpen me naar beneden.

Mijn hoogtevrees gaf een nieuwe draai aan de vakantie. Heel vervelend. Norman en Jeroen gingen dan alleen op stap. Maar vonden het ook lullig om mij alleen te laten dus heeft vooral Jeroen veel minder kunnen klimmen dan hij zich had voorgenomen.

Een Latrelatie. Pas toen ik zwanger was gingen we samen wonen. Norman ging naar Jeroen's appartement.

Familie Jansen

Ik leer de familie van Jeroen kennen. Moeder Lot, Paul, Marlies en Wener, én oma Rijssen.

Lot was altijd heel gastvrij. Ik moest wel wennen aan haar gastvrijheid. Ze overlaadde je met drinken, hapjes, heel veel vragen en verhalen. Maar was daardoor wel super attent en leefde altijd heel duidelijk me je mee. Hield rekening met mijn eetwensen en allergieën en dacht actief mee bij op te lossen problemen.

Lot overlijdt in september 2004. Ik heb Lot minstens 20 jaar gekend. De laatste 16 jaar vooral als oma van onze kinderen. Een oma die vroeger elke woensdag kwam en tussendoor vaak oppaste. Als ik dan ’s woensdag thuis kwam schaamde ik me vaak. Ze had natuurlijk weer opgeruimd en meestal ook gekookt. Terwijl ik later hoorde dat ze ook nog met de kids op stap was geweest.

De kinderen en ik kwamen graag bij haar over de vloer. Ook mijn broers en zussen waren welkom en zij heeft mijn moeder vaak opgezocht in het verpleeghuis.

Oma Rijssen was een heel bijzondere vrouw. Lief gastvrij en schattig Duits accent. Bezoeken aan haar, later ook met de kids, waren altijd heel speciaal. Heel bijzonder was voor mij een gesprek, waarin bleek dat we eenzelfde soort geschiedenis hadden. Ook haar moeder is heel jong als ze geboren wordt en ook zij heeft haar vader niet gekend.

Mijn familie naar Nederland

Ik vond het heel erg leuk dat Norman kwam. Hij was een beetje vastgelopen op school op Curaçao en ging het hier verder proberen. Hij kwam bij mij wonen op de von Zesenstraat. Ik had eindelijk familie in Nederland. Een gezellige tijd.

We waren weer met een deel van de familie bij elkaar. Een kleine familie. We deden weer van alles samen. Eindeloos slenteren op de Dappermarkt. Veel vis met banaan gebakken mét de geweldige tomatensaus. Lappen gekocht op de markt en net als thuis samen kleren gemaakt. Veel pakjes voor Derwiç. En na het eten eindeloos spelletjes doen. Risken, hartenjagen en pokeren. Met Wies, Norman en Jeroen.

’s Zomers leefden we op onze brede stoep. Een heel gezellige boel met al ‘onze’ kinderen. Wies en ik trokken veel op met onze Turkse en Surinaamse buurtkinderen.

Mechi en Nonchi komen later ook naar Nederland met kleine Derwiç. Mechi ging naar de Lerarenopleiding, wiskunde studeren.

Oscar volgt, die gaat naar de MTS, Werktuigbouwkunde. In 1985 komen ook Mam en José. Daarna Raul en George. Lies blijft als laatste in ons huis wonen. Zij komt in 1989 ook. Dan hebben we alleen Christina nog op Korsou.

Afstuderen en toch niet terug

In oktober 1984 ging ik stage lopen bij de Gezondheid en Geneeskundige Dienst op Curaçao. Een vriend va mij was een van de directeuren. Hij bood me ook een baan aan. Dus wou ik die maanden gebruiken om alles verder uit te zoeken

Maar voordat ik vertrok, heb ik er vooral veel met Jeroen gepraat. Hij wist van mijn ambities om te helpen Curaçao op te bouwen. Maar nu kwam het echt dichtbij, werd het concreet. Tot mijn grote opluchting reageerde hij heel erg goed. Meestal is het de vrouw die de man nareist. Dus waarom niet andersom.

Toch lukte het niet. Die baan bij de GGD bleek nog niet te bestaan. Ik kon er wel gaan werken, maar het was een slangenkuil. Bovendien bleek het toen niet zo makkelijk voor Jeroen om ook een zinnig bestaan op te bouwen. We hebben nog even geprobeerd samen naar een ander ontwikkelingsland uitgezonden te worden - zijn nog bij UNESCO in Parijs langsgegaan - maar daar is het niet van gekomen.

In die maanden op Curaçao heb ik mijn rijbewijs gehaald. Eindelijk. Was in ieder geval goedkoper dan in Nederland. Na mijn afstuderen gaan we in september 1985 samen naar Curaçao om het te vieren.

Ik ontmoet mijn vaders familie

Het was niet eens echt gepland. In 1984 was ik toevallig op Korsou en reed ergens in Punda een paar dagen voor zijn sterfdag. Tenminste, dat ontdekte ik pas later. Ik luisterde naar de radio en was plotseling helemaal in tranen toen ik mij realiseerde, dat ik de aankondiging van een herdenkingsdienst voor mijn vader had gehoord. Hij was toen al 13 jaar dood. Ik besloot erheen te gaan.

Van die familie kende ik alleen Omaira. Ik had afgesproken om samen te gaan maar was te laat. Ik ging dus alleen achter in de kerk zitten. De kerk was halfvol. Ze zongen de meest zware liederen. Treurend van "oh we missen je zo" en "oh wat een verlies".
Ik hield het niet droog en begon op een gegevenmoment zelfs vreselijk te snikken. Mensen keken boos naar me op en ik voelde me erg opgelaten.
Gelukkig liep Omaira gelijk na de dienst naar mijn oma om te vertellen wie ik was. Ik werd met open armen ontvangen. Ik moest mee naar huis en ook daar reageerden alle ooms en tantes heel erg leuk. Ik had eindelijk de familie van mijn vader, ook mijn familie leren kennen. Ik had een oma erbij. Hulia, de moeder van mijn vader.

Ik vond het fantastisch om haar op te zoeken. Het was zeer onroerend hoe ik ontvangen werd. Zo kreeg ik alsnog allerlei sieraden, geld en cadeautjes die kinderen op Curaçao anders bij de geboorte of de heilige communie krijgen.

De eerste jaren heeft ze me heel erg veel verteld over mijn vader. Niet altijd rechtstreekse antwoord op mijn vragen, maar ook dat snapte ik. Mijn oma wou na al die jaren alleen maar leuke en positieve dingen over mijn vader vertellen.
Dat hij zo lang en slank was. Aanstekelijk kon lachen, en goed kon dansen. Dat hij een goede zoon voor haar is geweest.

Zo vond ik het heerlijk om in augustus 2004 een nieuwe neef van vaders kant te ontmoeten. Dat was erg speciaal. Hij heet Elmer.

Ook wij gingen trouwen

In oktober 1990 gingen we trouwen. Vroeger waren we principieel tegen trouwen. Omdat het huwelijk vooral voor de vrouw niet gelijkwaardig is. Vrouwen moeten dan zweren hun man te volgen, terwijl de man daar niet naar gevraagd wordt. Daarnaast omdat kinderen alleen de naam van hun vader konden krijgen toen. En het huwelijk vroeger dus niet echt bijdroeg aan de emancipatie van mannen en vrouwen. En verder vonden we het niet nodig.

Maar met de tijd werden we milder. Bovendien was er van alles veranderd. Tegenwoordig kunnen kinderen bijvoorbeeld ook de naam van hun moeder krijgen. Voor ons was het ook een praktische zaak. Door met elkaar te trouwen kan je allerlei zakelijke dingen makkelijk en goedkoop regelen.

Op een mooie 18e oktoberdag in 1990 gingen we met de familie, Kamala, Mavis en vrienden naar het stadhuis. We gingen trouwen en onze vrienden waren de getuigen.

Al was Quentin pas 1 en Wood 9 maanden... zij waren onze echte getuigen.

Ik vond het toch heel speciaal daar te staan en ‘Ja’ te zeggen. Ja ik wil met Jeroen trouwen en ja ik wil met Jeroen verder. Ik heb er geen spijt van. Het was een heel zonnige dag en we hebben de hele dag thuis gefeest.

De zondag erna was het echte feest, met vrienden. We zagen het niet zitten om een trouwfeest in een zaaltje te houden met polonaise en zo. In plaats daarvan hebben we een boot, een Tjalk, gehuurd. Met 40 vrienden en familie gingen we uit varen op de Nauerna. Een rivier verderop in de Zaan. Het werd een heel mooie en gezellige dag.

Ma ziek

Ze kwakkelde op Korsou al met haar gezondheid. Ik maakte me zorgen om hun bestaan op Curaçao nu bijna alle kinderen in Nederland zaten.

In 1986 verhuizen ze naar Nederland. Al gaat het met haar gezondheid niet echt beter, lijkt ze toch op te bloeien. Ze leert Nederlands en vindt haar draai in de Bijlmer.

Des te harder is de klap als mam in 1988 ziek wordt. De zondag ervoor was ik nog bij haar. Was moederdag. Toen zag ik haar nog slepen met een been. En dacht daar moeten we werk van maken. We moeten haar weer binnenste buiten laten halen totdat duidelijk wordt wat er aan de hand is in haar lijf. Maar dat hebben we niet gered. Een paar dagen na die Moederdag komt ze ’s ochtend haar bed niet uit. Een been was verlamd. Die kreeg ze niet in beweging.

Tegen de tijd dat ze in het ziekenhuis is, zijn beide benen verlamd. Na onderzoek blijkt ze tot haar middel verlamd, een dwarslaesie. Het was inderdaad heel erg schrikken toen Lies belde dat Mam met verlammingsverschijnselen opgenomen was. Met mijn dikke buik zwanger van Marysé ging ik gelijk naar het ziekenhuis. De eerste dagen hadden we nog hoop dat het allemaal nog goed zou komen. Maar helaas. Dat enge virus had al veel schade aangericht. Ma zou niet meer lopen en nog vaker aanvallen van dat virus moeten doorstaan.

Tot op de dag van vandaag blijft het een vrij onduidelijk verhaal. Een herpes virus in de zenuwbaan zou een ontsteking hebben veroorzaakt en de zenuwen blijvend beschadigd. Later breidt de verlamming zich uit en verliest ze ook functies in de handen.

Thuis wonen, blijkt niet meer te kunnen. Ze moet echt dag en nacht verzorgd worden. Zoals ook ‘s nachts omgedraaid worden om doorliggen te voorkomen. Het blijkt allemaal te veel voor José. Mam komt in een verzorgingstehuis te wonen.

Ze blijkt ondanks deze vreselijke ziekte heel erg taai. Ze moest in de loop der jaren steeds meer controle over haar eigen lichaam en haar leven inleveren. Dat deed ze weer met een onvoorrstelbare kracht. De zware klap was haar wel aan te zien, maar het lukt haar uiteindelijk om een heel nieuwe invulling aan haar leven te geven.

Mechi naar st Maarten

Mechi had allang besloten voor een paar jaar naar st Maarten te migreren. Toen Mam ernstig ziek bleek te zijn, viel het haar zwaar toch door te zetten. Mam stond helemaal achter hun beslissing. Ze vertrokken voor 3 jaar.

Derwiç was met een aantal weken al terug. Ze vonden hem zo goed op school in st Maarten dat hij nog nauwelijks les kreeg. Mechi was bang dat hij een achterstand zou oplopen, dus besloot ze hem terug te sturen naar Nederland. Hij heeft eerst bij oma Sylvia en later bij Lies gewoond en ging elke vakantie terug naar zijn ouders.

Orkaan Luis bracht Mechi eerder terug. Ze was hoog zwanger van Aimée, hun huis en huisraad waren helemaal verloren gegaan en ze was ziek.

 

 

 

 

Werken

Vrijwilligerswerk

Vrouwengroepen

Naast betaald werk heb ik ook veel vrijwilligerswerk gedaan vooral als bestuurslid . Zo was ik samen met Mavis bestuurslid van een Antilliaanse vrouwenorganisatie Grupo Emancipacion Muhé Antiano. We organiseerden leuke activiteiten, maar waren vooral bezig met vrouwen te praten over onze rechten, dat je als vrouw even veel rechten als mannen. Ook al ben je getrouwd met kinderen.

Zo gingen Mavis, Kamala en ik samen met drie andere vrouwen verder en hebben een Landelijk organisatie voor zwarte en migranten vrouwen opgericht, Flamboyant. Jarenlang hebben we in een mooi pand aan de herengracht in Amsterdam elke weekend activiteiten georganiseerd over kunst en literatuur, vrouwen rechten, rechten van vrouwen in de seksindustrie, scholing voor oudere vrouwen. En vooral heel veel feesten.

Cuba scholingsgroep Venceremos

Jarenlang zat ik in de scholingsgroep Venceremos, vrienden van Cuba. We maakten lesmateriaal om kinderen op scholen te vertellen over het leven op Cuba. Later ging ik ook naar Cuba om daar als vrijwilliger te helpen in de bouw.

Paradiso en Migranten tv

Een enorme kick was werken in de kunst en cultuursector. Tien jaar zat ik in het bestuur van Paradiso. Dé Amsterdams poptempel. Juist in de tijd dat zij probeerden van een stoffige hippie tent te veranderen in een keurig goed verdienende poppodium. Dat was ook een beetje het geval in het bestuur van Migranten-tv. Kleine redacties maakten televisie voor speciale groepen, Turken, Marokkanen en Surinamers en Antillianen.

Kinderopvang

En zodra onze kinderen op de crèche zaten, kwam ik eerst in een activiteitengroepje dat feesten voor de kids organiseerde op de crèches Karekiet en Koppoter. Maar ik wou meer doen. Zodoende kwam ik in het bestuur van de Koppoter en later van Bambino en daarna bij de Stichting Buitenschoolse opvang.

Bijbaantjes

Ik heb tijdens mijn studies altijd bijbaantjes gehad.

Café medewerker

In Leiden heb ik in een klein cafeetje gewerkt. Het was een heerlijke warme zomer. Dus kon ik elke ochtend de stoeltjes op het terras klaar zetten en er zelf alvast gaan zitten om klanten te lokken. De klanten waren vooral studenten die niet meer kochten dan een koffie met tosti. Het was heel relaxed werken.

Radiomaker

Bij de Wereldomroep maakte ik samen met Norman de Palm en Marvis het programma Tuturutu Cultural. Een cultureel programma dat op de Antillen uitgezonden werd. Na een redactie vergadering ging ieder apart met de opnametas op stap om interviews te maken. In die tijd hadden we nog geen computers. Alles werd op grote banden opgenomen. Thuis maakte je een overzicht met de stukjes die je uit het gesprek of optreden wou gebruiken. Helemaal precies moest je vanaf de teller de nummers van waar het stukje begon en eindigde opschrijven. De opnames waren één keer per maand in Hilversum. Een goede tijd.

Schoonmaakster

Het meest smerige wat ik gedaan heb. Twee baantjes. Eerst bij Inge, een docent van mij aan de universiteit. Ze woonde met nog twee docenten. Ze hadden veel katten en het was er erg vuil. Gelukkig vonden ze het ook genant, dus zaten ze heel veel koffie te drinken met me en als de tijd om was mocht ik weg. Ook een paar dagen in de thuiszorg, schoonmaken bij oude zieke mensen….moet gebeuren, maar erg smerig.

Leerkracht

Toen ik de lerarenopleiding afgerond had, kon ik betere baantjes krijgen. Meestal als leerkracht. Leuk werk en goed betaald. Zo heb ik Antilianen die pas in Nederland waren geleerd hun weg hier te vinden. Antilliaanse oudere jongeren leren koken. Surinaamse vrouwen in de Bijlmer gezond leren koken en leren budgetteren.

Echte Banen

Werken bij Plataforma di Organisashonanan Antiano

In 1985 studeerde ik af. Na een aantal weken solliciteren werd ik bij POA (Plataforma di Organisashonanan Antiano) aangenomen. Ik werd regiomanager op het landelijke bureau in Utrecht. Daar moest ik bureautjes oprichten die antillianen in hun gemeentes gingen helpen. Antillianen moesten geholpen worden Nederland te leren kennen, maar ook konden ze hulp gebruiken bij het vinden van de juiste school en aan banen.

Anco Ringeling was daar directeur. Slimme en aardige man. Anco heb ik nog jaren opgezocht als ik op Aruba was. Dan leek het alsof we elkaar de dag daarvoor nog gezien hadden. E we hadden altijd veel te bespreken.

Vanuit dit bureau heb ik samen met andere Antilliaanse vrouwen een Tv-film gemaakt. Een geweldige ervaring. Ik zat eerst in de redactie. Dus mocht ik me eindeloos met het script en het aannemen van spelers bemoeien. Uiteindelijk kreeg ik zelfs een van de hoofdrollen en hadden Mechi en Lies bijrollen.
De film gaat over de confrontatie tussen een talkshow host, gespeeld door mij, en een Antilliaanse diva, die haar zwart-zijn lijkt te ontkennen…..De film is verschillende keren op tv geweest.

CBE

In '87 werd me een baan bij het CBE aangeboden (Centrum voor Beroeps Educatie) als senior consultant. In een luxe pand aan de Herengracht in Amsterdam. Mijn eerste kennismaking met een commerciële werkomgeving. Niet een doelgroep of actie staat centraal, maar het verdienen van geld. Mooi pand, alles ingericht in rood en zwart, lease auto’s en dure etentjes. Wennen. Het was leuk aan de ene kant, maar het riep ook veel vragen op.

Ik werd zwanger van Q, en Mavis heeft me toen vervangen.

Hetzelfde CBE betaalde twee werkbezoeken voor Mavis en mij naar de Antillen. Met de opdracht meer informatie over jongeren te verzamelen. Te gek. We gingen zo alle zes de eilanden langs en verzamelden heel veel informatie. Van een informatieboek over jongeren is echter niet veel terecht gekomen. Wel is er een film gemaakt.

Rijks Archief Dienst

Interessant was wel een opdracht bij de Rijksarchiefdienst die ik vanuit het CBE deed. Ik ben er uiteindelijk ook met die opdracht vandoor gegaan en bij de Rijksarchiefdienst gaan werken. Bij Roelof Koops. Geweldige tijd. We moesten papierbehoudmedewerkers opleiden. Mensen die in archieven gingen werken om te voorkomen dat al die papieren weg zouden rotten. Een functie die nog niet bestond. Dus er viel van alles te regelen. Wat de mensen zouden gaan verdienen en een nieuwe opleiding om ze voor te bereiden op het werk. Voor mij als onderwijskundige was het een enorme kick om een opleiding helemaal vanaf het niets te ontwikkelen. Samen met experts een curriculum ontwerpen, lesmateriaal en examens laten ontwikkelen en last but not least medewerkers werven. Jeroen heeft het lesmateriaal geschreven.

De Anna Polakschool

Op de APS kwam ik als adjunct directeur naast Marianne. De eerste jaren waren heel interessant. Ik vond de school te weinig school. Er was veel aandacht voor de positie en problemen van vrouwen…maar te weinig voor de opleidingen. Per slot van rekening was het een school. Een vakopleiding. Ik heb veel kunnen veranderen en ben veel internationale projecten samen met andere scholen begonnen.

Zo kon ik Jeroen opnieuw inhuren. Door die projecten kon ik veel reizen. Naar Engeland, Italië en Griekenland. Mijn kennis van vreemde talen kwam goed te pas. Later ontwikkelde ik ook projecten met de Antillen en Suriname. Geweldige tijd.

Maar het bleef niet leuk op de APS. Marianne wou reorganiseren en mijn functie verdween. Ook mijn kamer. Ik was gebroken. Misschien was het ook tijd om verder te gaan. En ik ging.

W&S

Toen ik nog niet bij W&S werkte had ik veel vooroordelen over zulke bureaus. Stijve mannen in suffe pakken die alleen maar aan geld denken. Voor een deel was dat ook zo bij W&S, maar er was meer. Het was een soort familiebedrijf met Karel als grote, kleine vader. Toen ik er in 1998 kwam, werd er samen veel geld verdiend en ook veel geld uitgegeven. Ik had jaren op de armlastige Anna Polakschool gewerkt en was helemaal verrast toen ik bij W&S binnen een week een leenlease-auto en een laptop had. Én we konden ook nog een nieuwe auto bestellen. Daar moesten we wel een deel aan meebetalen, maar het bedrijf betaalde het grootste deel.

Maar er werd ook heel veel van je verwacht. Hard werken in ieder geval. Keurig gekleed en je gedragen als een manager. En klussen voor W&S doen. Naar maandelijkse bureaubijeenkomsten gaan . Met je partner naar de jaarfeesten. Het beviel me wel. Voor W&S zat je steeds bij een ander bedrijf op een opdracht, voor een aantal maanden meestal. Iedereen had een collega als schaduwmanager, zodat je altijd iemand had om mee te overleggen.

De opdrachten waren meestal ook heel interessant. Bouwen van een Vrouwen Expertise Centrum in Amsterdam Zuidoost. Reorganiseren van het IND aanmeldcentrum voor asielzoekers op Schiphol. Vervanging van het hoofd van de afdeling Welzijn bij de gemeente Lelystad. En reorganiseren van het inkoopproces bij twee COA clusters.

Totdat ook de mindere tijden aanbraken. Er werden steeds minder interim managers ingehuurd. Er was steeds meer discussie over de tarieven. W&S ging bijna failliet en vroeg ook voor mij ontslag aan. Dat was niet leuk.

HKI

En daar zat ik dan ik januari. Ontslagen en in de WAO. Wel een inkomen maar geen werk meer.

Dat was minder leuk dan ik had gedacht. Ik miste duidelijk iets. Via Hans de Wit kwam ik bij het HKI terecht. Die konden wel een hulpje met mijn ervaring gebruiken. En ik kon nu ook leuke klussen doen zonder eerst over tarieven te hoeven onderhandelen.

Het Hendrik Kreamer Instituut geeft cursussen aan mensen die zendingswerk gaan doen. In de derde wereldlanden Eerst heb ik voor hen onderzocht of het mogelijk was een eigen cursus inburgering migranten kerkleiders te organiseren. Daarna hielp ik vooral als onderwijskundige om hun opleidingen beter te organiseren.

 

Ziek

Het begin

Het was heel erg schrikken, horen dat je kanker hebt. Ik had het knobbeltje in mijn borst zelf gevoeld. Op een zaterdagmiddag 13 mei 2000. We hadden de kinderen bij oma gestald. Dat weekend wilden we eerst de net gelegde houten vloer lakken en daarna na het W&S weekend gaan. Toen ik na het douchen mezelf lekker met crème insmeerde voelde ik de knobbel. Zo goot als een knikker voelde het. Ik liet Jeroen ook voelen. Ook hij schrok.

Het werd een raar weekend. Door die vloer waren we te laat voor het eerste deel van het feest. We gingen rechtstreeks naar het hotel. Een prachtig hotelletje in de bossen op de Veluwe. De gezelligheid werd erg gedempt toen het nieuws doorkwam van de vuurwerkramp in Enschede. En ik bleef steeds aan het knobbeltje denken met de angst al voelbaar in mijn buik.

Ik ging die maandag gelijk naar de huisarts, Kalshoven. Volgens de huisarts was het wel goedaardig maar ik stond erop een foto te laten maken. Dat kon pas aan het eind van de week daarop.

De foto bleek alarmerend. Als ik - inmiddels twee weken later - routinematig vanuit mijn klus in Lelystad naar huis bel, krijg ik te horen dat de huisarts gebeld had. De afdeling radiologie had gelijk na het bekijken van de foto’s mijn huisarts gealarmeerd. De huisarts zei dat ik zo snel mogelijk naar een chirurg moest. We schrokken hevig. De volgende middag waren we al bij de chirurg.

Die liet ons de foto’s zien om duidelijk te maken dat het menens was. Een rare foto, waarop de knobbel er uitzag als een uitwaaierend haaienei. Hij stelde voor in ieder geval gelijk een punctie te doen. Drie hapjes.

En dan weer wachten. Door allerlei feestdagen in mei duurde het weer bijna twee weken voordat we de uitslag kregen. Maar die was goed, de puncties waren schoon. Hij liet ons zelfs de brief van de patholoog zien. Daar stond zoiets in, dat in de aangeleverde weefsel geen kanker was gevonden. Toch vertrouwde ik het niet en wou dat ding echt weg uit mijn lijf.

De chirurg was het met mij eens. Opereren. Na de operatie kwam hij langs en zei iets waar ik gelijk van schrok. Hij zei "het weefsel zag er wel erg rood uit. ….Ik heb extra veel weefsel weggehaald voor het geval de knobbel toch kwaadaardig blijkt te zijn".

Wat moest dat nou betekenen? Het was toch goedaardig volgens de punctie? Dat had hij toch gezegd? Dat stond toch ook in die brief van de patholoog?

Maar ik moest afwachten, het zou een week duren voordat hij alle uitslagen had. Dus na de operatie maar naar huis, bijkomen en afwachten. De week rustig proberen door te komen.

Die rust werd de volgende dag wreed verstoord. Toen ik eind van de ochtend in bed stapte om even te slapen voelde ik iets in de wond knappen en al heel snel voelde ik dat de hele borst vol liep met bloed. Binnen de kortst mogelijke tijd werd mijn borst keihard.

Ik was enorm geschrokken. Riep Jeroen erbij en we waren heel snel op weg naar de Eerste Hulp. Onderweg was natuurlijk de brug weer open en toen we daar aankwamen moesten we ontzettend lang wachten. In de tussentijd stond mijn borst op springen, was de druk enorm en de pijn bijna niet vol te houden.

Toen ik eindelijk onderzocht was vermoede de arts dat de wond van binnen was gaan bloeden. Ik moest met spoed geopereerd worden. Er kwam ook een chirurg kijken, dokter Mimi Mulder. De operatie bevestigde dat er inderdaad een vaatje geknapt was….

Nu moest ik wel blijven overnachten, maar de volgende dag mocht ik gelukkig weer naar huis. Weer met een drain om het wondvocht af te voeren.

Maar de grote schrik moest nog komen. We werden die woensdag door de chirurg van de eerste operatie ontvangen. Ik vond hem onrustig. Hij begon zich gelijk te verontschuldigen. Te uitgebreid vond ik,want ik wou de uitslag zo snel mogelijk horen. Het klonk allemaal niet goed. Hij zei dat hij het zo erg vond voor me, zeker omdat hij verder ook heel slecht nieuws had. Het gezwel bleek toch kwaadaardig te zijn. Maar dat was niet alles. De randen waren niet schoon. Dat wil zoveel zeggen dat er nog kanker in mijn borst zat. Er moest weer geopereerd worden.

Een enorme klap. Ik zat op het onderzoeksbed en Jeroen en de arts zaten tegenover me. Ik keek naar die mannen en even dacht ik dat ik er niet echt bij was. Dat dit niet over mij ging, maar een zeer triest verhaal was over een heel andere vrouw. Maar het ging wel over mij. Ik zat er middenin in en kon er niet aan ontsnappen. Toen ik me dat realiseerde kwam de volgende angst. Hoe ik het mijn kinderen ging vertellen. Hoe moet het nou? Ik wil niet dood. Maar ik wil vooral mijn kinderen niet verlaten. Niet missen. Ze hebben me nog zo lang nodig. En ik hen ook.

Dus weer een operatie. Maar daar bleef het niet bij. Toen begon het snijden in mijn borst pas goed totdat die er bij de 4de operatie in 6 weken helemaal af moest. Niets meer borstbesparend, zoals het tot dan toe zo mooi klonk. Nee, de hele borst moest er af. Erg vervelend. Maar kanker hebben was oh zo veel erger. Ach, een borst meer of minder. Alleen maar onhandig. Valt mee te leven.

Want ik was er nog lang niet. Na de operaties stond me nog de chemo en bestralingen te wachten. Ook daar was ik erg moedig aan begonnen. 15 bestralingen en 4 chemo’s. Ik vond het zelfs een beetje spannend om kaal te worden...

Maar het brak me nu echt op. Ik was toch erg zwak na vier operaties. Moe misselijk, draaierig en duizelig. De ene keer waren de rode, de andere keer de witte bloedlichaampjes bijna op. Ik had me nooit eerder zo enorm ziek en ellendig gevoeld. Gek dat je van de behandeling eigenlijk alleen maar zieker en zieker wordt. Terwijl het je eigenlijk beter moet maken.

Toen het hele verhaal begon, was ik alleen een beetje moe, verder was ik ‘Alive en kicking”.. Thuis was het goed. Ik had een enorm leuke baan. Reesde elke dag heen en weer naar mijn opdracht bij de gemeente in Lelystad in mijn mooie leaseauto. En nauwelijks zorgen. Dat was allemaal voorbij. De angst en onduidelijkheid overheerste. Heel langzaam moest ik weer overeind krabbelen. Durven hopen.

Binnen een half jaar kon ik voorzichtig weer aan het werk. Eerst op kantoor bij W&S en later toch weer een eigen opdracht. Januari 2002. Geweldig.

Weer ziek

Het was geen verrekte spier of verkeerde behandeling van de fysiotherapeut. Met Lot’s verjaardag in februari 2003 waren we gaan bowlen. Ze werd 75. Daarna bleef het zeuren in mijn rug. Dus op een gegeven moment toch maar naar de fysiotherapeut. Dat hielp meteen. Die avond was ik pijn vrij. Maar toen ik de volgende ochtend wakker werd, zat het weer helemaal vast en was het pijnlijk. Na nog twee van die sessies bedacht ik, dat er misschien toch wat anders aan de hand kon zijn. Dus terug naar de chirurg. Foto’s gemaakt en niets gevonden. Weer opgelucht. Maar ik bleef eigenlijk sukkelen.

Totdat ik eind maart nauwelijks mijn bed uitkwam en doorstralende pijn had. Dus maar een scan. Wat ik al die tijd vreesde kwam uit. De kanker was nooit weg geweest. Ik had uitzaaiingen. Ik moest weer met spoed opgenomen worden. En weer binnenste buiten gehaald. Nog een scan, vieze drankjes en meer foto’s. Alles werd doorgelicht. Weer een week wachten en nu in het ziekenhuis. Op de afdeling Interne. Mijn voorland dacht ik. Tussen de terminale lotgenoten die of heel erg stil, dan wel heel onrustig waren. Ik zag mijn eigen angst in al die ogen op de afdeling.

Na een week had donker Bochove goed nieuws bij slecht nieuws. Uitzaaiingen van de borstkanker op de botten, vitale organen niets gevonden. Opnieuw met z’n allen ernorm geschrokken. De dokter had gezeg "nou dit is een zeer ernstige situatie…" Als de kanker terug is is ie niet meer te genezen. Maar er zijn wel medicijnen. Onduidelijk was of en hoe lang die zouden werken. Drie dingen had hij voorgesteld. Elke dag een tablet, elke 3 weken een infuus met botversterker en om de 3 maanden een spuit in de buik. Gelukkig bleken de medicijnen aan te slaan. Mijn rugklachten verdwenen bijna helemaal. Ik kon mijn sokken weer zelf aantrekken.

Na een paar dagen kon ik weer aan het werk. Gelukkig. Ik kon mijn opdracht bij het COA zelf afronden.

Bijna een jaar ging het redelijk goed totdat de medicijnen uitgewerkt bleken en een andere hormoonbehandeling niet aansloeg. Het spel was uitgespeeld. Ik was weer enorm moe. Kon nauwelijks de trap oplopen. Moest de hele tijd weer gaan zitten om bij te komen . Dat kwam doordat de rode bloedlichaampjes bijna op waren. De kanker had weer toegeslagen in de botten.

De dokter stelde chemo voor. Als we niets doen, zei hij, slaat de ziekte snel om zich heen. Dus wou ik ook weten wat het me opleverde als we wel met de chemo begonnen. Eén jaar zei hij toen, maximaal drie. Waar ik al die tijd bang voor was geweest werd nu werkelijkheid. Vreselijk. Doodeng.

En wat nu. Weer moest ik thuis mijn kinderen in mijn armen sluiten en nu met vreselijk slecht nieuws. Weer hebben we gehuild en uitgeschreeuwd. Nu bijna maanden verder blijft het soms bijna onwerkelijk. Vooral als alles zoals altijd gewoon lijkt door te gaan, lijken we bijna te vergeten, dat ik niet zo lang meer heb. En dan weer schrik ik er zelf van en word ik bang en verdrietig. En ook weer heel leeg.

Maar op andere dagen heb ik heel veel kracht en probeer de voordelen van het weten dat de koek bijna op is, te benutten. Bijvoorbeeld door aan dit verhaal te werken. Maar ook heel bewust te leven en te geven vooral aan jullie mijn gezin en familie.

Na een jaar Taxol mocht ik in juli 2006 even pauzeren. Even geen chemo. Even het lijf de kans geven te herstellen. Want het was een zwaar jaar. Eerste wekelijks Taxol. Op de woensdag een ochtendlang infuusjes met premedicatie om de effecten van de chemo een beetje op te vangen. Dan de chemo zelf. Van de premedicatie werd ik altijd heel lakker slaperig, en viel daar lekker in slaap. ’s Middags was ik dan nog zo slaperig dat ik lekker in bede kroop met een kruik. De dagen erna begon de pijn op te komen. Zenuwpijn. Alsof iemand je met spelden prikjes over je hele lijf pest. Later kreeg ik daar met medicijn Lyrica voor. Dat helpt heel goed, maar je wordt er heel zweverig van. En nog erger, je mag dan geen auto rijden.

Na een poos werd de chemo om de week gepland. Had ik tussendoor ruim een week om weer allerlei dingen te doen. al werden mijn handen en voeten steeds gevoeliger. Gingen de nagels rotten. Viel mijn haar uit en, en, en….

De pauze was eerst heel prettig. Vooral omdat mijn voeten herstelden. Zo kon ik tijdens onze vakanties in Spanje en Turkije weer lekker lopen en was weer goed mobiel. Maar na een paar mannden sloeg de kanker weer toe. Niet zo heel erg hoog gelukkig. Maar genoeg om mijn Hb weer erg te laten dalen. Ik ging weer aan de chemo. Een nieuw spul, Navelbine. Ook weer aan de Arenesp. Epo spuitjes om de drie weken op de HB op te krikken. Ik werd heel erg moe en duf. Voelde alsof het licht uit was in ijn bestaan. Ik kwam mijn bed niet meer uit.

Dit was wel een beetje te verwachten. De kanker tast het beenmerg aan, waardoor mijn HB daalt. De chemo valt de kanker aan zodat het beenmerg niet meer aangetast wordt, maar ook de chemo lust mijn beenmerg. Tast die ook aan terwijl ie de kanker bestrijdt. Per saldo daalt de hb dan eerst verder voordat het omhoog kan als de kanker uitgeschakeld is.

Dus werd ik na die behandelingen allen maar moeier en ziek. Gelukkig besloten ze de boel op te krikken met twee zakken bloed. Dat helpt altijd vrij snel. Ik was die ochtend weer erg moe en had het ontzettend koud. Lag tijdens de transfusie in bed met twee dekens daar op de afdeling dagbehandeling Oncologie. Na het eerste zakje begon ik tintelingen in mijn handen en voeten te voelen en werd ik langzaam aan lekker warm. Maar ook in mijn hoofd klaarde het op...

[Noot van Jeroen: Dit hoofdstuk heeft Jenny niet verder kunnen afmaken. Wel heeft zij op een MP3 speler nog twee teksten ingesproken over het allerlaatste slecht-nieuws gesprek, toen we te horen kregen dat de kanker zich had uitgezaaid in haar hoofd en dat bestraling de laatste behandeling zou zijn. Je kunt deze opnames beluisteren in de rubriek Portret.]

Terugblik

Hoe zie ik het allemaal als ik terugkijk op mijn leventje? Met een goed gevoel toch ondanks de zware vooruitzichten.

Ik heb een goed gevoel over mijn kinderjaren. Liefdevol en onbezorgd. Eerst in mijn kleine wereldje op Santa Rosa, had ik alles wat mijn hartje begeerde. Ik kon rennen en springen, huppelen en dansen. Als ik iemand nodig had kon ik kiezen, naar mijn oma, mijn oom of toch naar Mam. Afhankelijk van wat ik wou. En ik had ook nog een Overgrootopa. Bij hem vond ik alle rust in zijn prachtige groene en koele moestuin. Daar kon ik uren rondstruinen, naar opa kijken en luisteren, onkruid wieden en rijpe tomaten eten. Ja, toen kon ik nog rauwe spullen eten. De koning te rijk. Weinig ongemakken en enge dingen. Ik was wel bang ik het donker, maar kon diep in oma’s rokken schuilen of bij Mam in bed kruipen heerlijk veilig.

En het werd alleen maar leuker toen Christina kwam. Een grote zus erbij. Een speelkameraadje. Geweldig . In de regen rennen samen. Winkeltje spelen met modderkoeken en tamarindevruchtjes. Maar Christina werd ziek. Voor het eerst werd ik geconfronteerd met echt enge dingen. Ze werd dan helemaal geel, gele troebele ogen, moe en ziek. En dan bleef ze vaak weken weg in het ziekenhuis. Ik was altijd heel blij als ze terug was, maar bleef eerst wel bang dat ze weer ziek werd. Helaas gebeurde dat vaker. Maar al spelend vergaten we dat allemaal weer.

Naar school gaan was de volgende uitdaging. Jarenlang was ik daarop voorbereid. Mam en Oma zeiden dat school de sleutel naar een betere toekomst was. Als ik goed doorleerde kon ik een mooie baan krijgen en niet zoals zei werk met je handen hoeven doen. En mijn oom vertelde dat ik het natuurlijk ook kón klaren. Maar een voorsprong of goede voorbereiding was altijd goed. Dus zat hij uren met mij om me alvast te leren schrijven en lezen. Rekenen en vooral alvast woordjes in het Nederlands. Ik vond het ook heel er spannend. Kon natuurlijk een week lang niet slapen. Was heel blij met alle nieuwe spullen voor school, mooie kleren, schoenen en mooie blikken schooltasje. En op de eerste schooldag brood met pindakaas.
En het bleek ook heel erg leuk te zijn de kleuterschool vooral Nederlands leren. Kinderlijk naïef verwachte ik daar heel erg veel van. De taal van de toekomst en mogelijkheden. De taal waar je mee kon pronken. Wel was het wennen aan hele dagen weg van thuis . Een beetje heimwee. Maar dat werd goed gemaakt met alle leuke dingen op school en nieuwe vriendinnen. Wennen ook aan het regime. Een nieuwe omgeving waar ik niet het middelpunt was en niet alles kon doen en kon krijgen alleen maar omdat ik dat wou. Maar al gauw had ik door dat ook braaf zijn en je aan de regels houden ook van alles kan opleveren. De eerste duidelijk ervaringen met belonen en straffen.

Ik ontwikkelde steeds meer het gevoel, denk ik, dat je kon bereiken wat je voorneemt, door er hard voor te werken. Dat er veel mogelijkheden waren. Als je je maar aan de regel houdt. Ondanks scheve verhouddingen in de Curaçaose maatschappij. Of juist daardoor kreeg ik heel duidelijk mee dat ook wij zwarte mensen van alles konden bereiken. Dat we heus niet minder waren dan de blanken op Curaçao. En dat we door hard te werken door allerlei diploma’s te behalen toegang zouden hebben tot al het goede wat - toen ik klein was - bijna alleen de blanken toekwam.

Van Santa Rosa naar de stad verbrede mijn horizon weer een beetje. Ik zag meer van de wereld, tenminste de Curaçaose werkelijkheid. En begreep ook beter waar mijn oom en oma het er over hadden. Bijvoorbeeld dat alle belangrijke mensen wit waren zag ik plotseling. De dokter, priester, politieagent en de tandarts. Maar ook de mensen in de mooie huizen en mooie afgesloten wijken zoals Julianadorp en Emmastad.

Ik zag plotseling dat we best arm waren. Zag steeds meer hoeveel moeite het mijn moeder en oma koste om de eindjes aan elkaar te knopen. Het ingewikkelde systeem waarbij het met de kippen verdiende geld vaak rechtstreeks naar het verf bedrijfje van oom Pablo moest en van daaruit weer terug naar ons. Begreep steeds meer dat brood met suiker en boter krijgen en weken kip eten betekende dat er bijna geen geld was.

En mijn moeder antwoordde als ik het met haar daarover had, kind zorg dat jij dit niet meemaakt. Het gaat goed op school je kunt leren dus zorg dat je met je diploma’s verder komt dat wij. En wees ook als meisje heel voorzichtig. Mijn moeder en oma geven me ook heel duidelijk het vertrouwen dat je ook als alles kon bereiken en alle functies kon bekleden. Ze zijn grote rolmodellen. Stevige vrouwen die niet op mannen hebben (kunnen) zitten wachten om ze te onderhouden. Die de handen uit de mouwen staken en van alles verzonnen en deden om genoeg geld te verdienen. Vrouwen die ondanks hun krappe beurs ervoor gekozen hebben ons allemaal op de beste school te zetten. Niet de gratis 'skol di pornada' op Santa Rosa maar de school in Punda, waar je schoolgeld en van alles moest kunnen betalen. Ik zag dat ze offers leverden om ons vooruit te duwen. Dat zij nauwelijks uitgingen of nieuwe kleren en schoenen kochten. Eerst de kinderen werd altijd gezegd. Wij moesten goed gekleed zijn om elke zondag naar de kerk te gaan en mooi gestreken witte bloes en een geperste plooirok voor naar school. Ik snapte steeds beter wat ze bedoelden. En ik had me voorgenomen om hun wensen waar te maken. Maar ook om hun investeringen in mij te benutten. Ik kreeg steeds meer respect voor ze en snapte ook hoeveel ze van ons hielden.

Want hetwas al krap toen ze alleen mij en Christina hadden, nou het werd zwaarder met alle andere kindertjes erbij. Ondanks de inbreng van José vanuit de fosfaatmijn. Maar al die zussen en broertjes brachten ook heel veel plezier. Ik vond het steeds heel spannend. Elk jaar zowat zag ik mijn moeder in die tijd heel misselijk zijn, moe en ziek na de derde baby kon ik het helemaal volgen al werd er niet over gepraat en zei mijn oma nog steeds dat de ooievaar de kindertjes bracht. Terwijl ze allemaal in de slaapkamer naast de onze geboren werden. Zes jaar lang heb ik ze gewiegd, de fles gegeven en mee gespeeld. Bij George was ik al vijftien en voelde het bijna alsof het mijn zoontje was. Zeker toen Christina en ik hem ook mochten dopen.

Een gezellige, vaak rommelige boel met zoveel kids. Grote pannen eten op de konfo. En zelf veel brood en pan Dushi bakken in onze eigen stenen oven buiten. Met lekker gestoofde kip. Vaak hebben we het weinige dat we hadden ook gedeeld met hen die niets hadden. Ze kwamen kippen , eieren en gebakken brood halen. We leerden niet te veel te klagen en te delen met anderen. Ik schrok van de beelden van mensen die echt niets hadden. Wiens huis veel minder regen-bestendig was dan de onze. Magere kindertjes met hongerbuikjes en zweren….

Mijn horizon verbrede steeds meer. In de pubertijd had ik daar ook heel veel last van. Al wist ik toen niet dat het de pubertijd was. Ik zat aan alle elllende en ongelijkheden te denken. Was veel in mezelf gekeerd. Dan ging ik buiten op de keukenstoep zitten en denken en redeneren. Alleen in mijn hoofd. Door die hete zon werd ik heel zweverig en dizzy. Soms was het prettig, maar soms ook niet. Dan werd ik daar ook heel somber van. Rende dan naar binnen en kon uren in mijn bed liggen huilen en denken aan ellende en ongelijkheid. Steeds meer riep ik die vreselijke beelden op. Mijn moeder maakte zich zo'n zorgen, dat ze op een gegeven moment zei dat ze met me naar de dokter wou, naar een psychiater of zo. Nou daar ben ik heel erg van geschrokken. Nou ik wou niet gek zijn. Ik probeerde mijn gedrag maar bij te stellen. Niet meet zo lang in de zon zitten als anderen thuis waren. Steeds bedacht ik ook dat ik zeker niet alleen de wereld kon redden. Maar dat ik misschien wel een stukje kon doen. Ik wou iets aan die ellende gaan doen. Dus niet alleen zelf vooruitkomen om een goede positie te bereiken en in staat te zijn mijn gezin te helpen. Nee, het moest breder. Ik wou in staat zijn om ook misstanden aan pakken en scheve verhoudingen te bevechten. Ik ging toch wel een beetje vechten om de wereld beter te maken. Maar hoe…?

Het antwoord kwam van verschillende kanten. Ik was meer geïnteresseerd in informatie en gesprekken over onze cultuur, onze maatschappelijke positie en in de politiek. Want daar moest je ook zijn om dingen te veranderen. Ik ging alles lezen wat ik maar kon vinden over Angela Davis en Martin Luther Kingr …..

Het begon met uiterlijkheden. Een afro kapsel en een dashiki aan en lopen op met de hand gemaakte schoenen. En geen make-up. Inhoudelijk ging ik het steeds beter begrijpen op de bijeenkomsten op zaterdag in Punda. Waar stoere sprekers als Al Pieters ons kwamen toespreken over het kapitalisme en socialisme. Over de ontwikkelingen op Cuba en over Marx.

Ik begreep steeds meer dat de wereld economie best ingewikkeld in elkaar zat. De enorme verschillen tussen arm en rijk. Maar misschien was het socialisme de oplossing. Meer gelijkheid en delen van belangrijke zaken en goederen met elkaar. Ik zag mogelijkheden. Maar ik moest eerst een positie bereiken om daaraan mijn bijdrage te leveren. Het onderwijs en de politiek, dat waren de wegen die ik voor mij zag. Dat waren mijn mogelijkheden. Maar ook daarbuiten mijzelf blijven informeren en met anderen erover praten.

Ik was niet meer zo somber. Ik zag mogelijkheden en ging ervoor. Naar Nederland was de volgende stap. Mijn horizon verbrede meer. Zag en voelde het beloofde land in mijn bereik. Maar realiseerde me plotseling hoe klein en bijna nietig mijn lieve Curaçao was. En zo veel armer en beperkter dan het mooie Nederland. Nederland vond ik eerst geweldig. Het land waar ik mijn papiertjes zou halen om in mijn land aan de slag te gaan. En in de tussentijd heel veel lol maken met heel veel discobezoeken. Mmijn weg in Nederland begon in Scheveningen, waar de bevolking het zo grappig vond dat er elk jaar een groepje zwarte tieners neerdaalde in Hotel Gouden Wieken. Dan konden ze weer aan de kroeskrullen zitten en uitroepen dat het toch heel zacht aanvoelde en in je wangen knijpen om te kijken of je niet afgeeft. Dat was nog grappig.

Steeds meer voelde ik, dat Nederland me zou geven wat ik kwam halen. De opleiding viel een beetje tegen maar zou me wel een positie in het onderwijs op Korsou bezorgen en daar ging ik toen in eerste instantie voor. Maar het kon niet uitblijven, dat ik met de universiteit als optie in aanraking zou komen. Een nieuwe optie. Wel een grote stap. Na deze opleiding nog minstens 6 jaar investeren. Ja, ik deed het toch. Dat diploma zou me veel mogelijkheden geven en veel meer kon ik daar leren over het onderwijs en hopelijk toegang krijgen tot posities van waaruit ik kon helpen het onderwijssysteem op de Antillen te verbeteren. Ik geloof nog steeds in de macht en kracht van het onderwijs voor de sociale mobiliteit. Vanuit Nederland ging ik me ook steeds meer zorgen maken over mijn broertjes en zusjes. Ik bestookte de familie met verhalen over Nederland. Positieve verhalen. Ik drukte mijn moeder op het hart ook de andere te blijven stimuleren om het beste uit je onderwijskansen te halen. Maar ik vroeg haar ook hun beter voor te bereiden op het leven. Ze allemaal seksuele voorlichting te geven en niet alleen bang maken voor seks.

Mijn nieuwe uitdaging de universiteit. Veel kennis en meer mogelijkheden.. maar dat betekende tevens dat ik nog niet terug ging . Eerst grote teleurstelling thuis. Ze hadden zo verwacht dat ik na vier jaar gewoon terug zou zijn. Een baan en hun helpen. Weer gewoon thuis zijn. Helaas. Nog niet. Maar ik bleef delen van mijn studiebeurs opsturen. Dat bleef ik jaren doen en veel meer toen ik echt ging verdienen.

Een geweldig tijd volgde. De eerste jaren werd mijn honger naar kennis en informatie aardig goed gevoed. Maar het leek niet makkelijk toepasbaar op de Antillen. Pas in de doctoraal periode kwam ik terecht in werkgroepen over onderwijs in ontwikkelingslanden en aan 'etnische minderheden' zoals wij toen genoemd werden.

Maar dat was niet voldoende. Veel meer werd mijn behoefte bevredigd in de vouwengroepen, eerst alleen met Antilliaanse vrouwen en later heel breed vanuit Flamboyant. En helemaal door mijn werk bij Venceremos, solidariteitsgroep met Cuba met als bekroning mijn reis naar Cuba.
Een geweldige ervaring. Maar ook heel ingewikkeld. Ik zag geweldige dingen op Cuba. Ik vond het prachtig het aanbidden en zwijmelen met Fidel Castro en de enorme liefde en aanbidding van Che Guevarra en José Marti. Maar ik schrok ook van de gevolgen van de jaren durend boycot. Het gebrek aan onderdelen uit het buitenland leverde niet alleen prachtig onderhouden oldtimers uit de dertiger en veertiger jaren op; in de ziekenhuizen konden vele apparaten niet meer ingezet worden omdat er geen nieuwe onderdelen kwamen.
Maar was dit de oplossing die ik voor ogen had? Ja misschien als je ziet dat de Cubanen het veel beter hebben dan vele eilanden in het Caribisch gebied en Latijns Amerika? Maar toch? Ik zag dat gratis toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen niet automatisch alle ongelijkheden deed verdwijnen. Eén leider met veel macht en een centraal systeem. Geen verkiezingen. Nee toch niet. Maar wat dan wel?

Met het ontmoeten van Jeroen veranderde mijn oriëntatie drastisch. Eerst hebben we geprobeerd allebei op Korsou aan de slag te gaan. Dan zou ik mijn droom kunnen verwezenlijken en een bijdrage leven aan mijn eiland. Maar dat lukte niet. Ik koos voor de relatie en dus om in Nederland aan de slag te gaan. Misschien uitgezonden worden naar een ontwikkelingsland. Ook een gesprek gevoerd bij Unesco in Parijs. Maar dat werd het ook niet. Ik bleef hier. Werken bij POA, ondersteuning van Antillianen in Nederland was een mooi alternatief voor mijn gevoel en gemoedsrust. Gelukkig heb ik later in banen veel mogelijkheden gekregen om projecten op de Antillen te ondersteunen en kon ik eindelijk mijn steentje bijdragen. Het was niet wat ik me eerst had voorgesteld, maar uiteindelijk vond ik het goed genoeg. Beetje bij beetje nam ik afstand en afscheid van mijn jeugddroom.

Ik moest kiezen en heb er geen spijt van. Ik stortte me op bestuursbaantjes voor het goede doel en probeerde banen te zoeken waar ik ook mijn ei in kwijt kon. En ik moet zeggen, het is me aardig gelukt. Ik heb heel veel kunnen doen. Uiteindelijk ben ik heel tevreden over mijn loopbaan. Zowel wat de betaalde als de onbetaalde functies betreft.
Met de overstap naar W&S leek het even of ik naar de verkeerde kant was overgestapt. Naar het geld, gladde praatjes en weinig maatschappij bewust. Maar gelukkig was het niet helemaal zo. Ik heb me daar uiteindelijk heel prettig gevoeld. Juist het idee van een familiebedrijf. Ik had het erg naar mijn zin. Ik genoot van alle franjes erbij en vind het nog steeds jammer dat daar zo abrupt een einde aan is gekomen.

Van een hele brede horizon naar een wat kleinere zorg voor mijzelf. Huisje boompje beestje was de nieuwe uitdaging. Vanaf het moment dat ik besloot kinderen te willen met Jeroen, veranderde vanzelf mijn horizon. Ik werd moeder en daarmee kwam de grote zorg voor onze kids. Een zorg die steeds andere vormen aanneemt, maar toch altijd blijft.. Maar gelukkig ook heel veel plezier en liefde, hoogtepunten en trots. Over kinderen krijgen heb ik helemaal geen spijt. Ik vind ze fantastisch en ben er heel blij mee. Het is het meest tastbare wat ik straks achterlaat, mijn kinderen.

Ik heb het op mijn manier gedaan. A mi manera……. I did it my way.

Interview met mijzelf

Ik heb het idee geleend uit het blad Psychologie, waar ze elke maand iemand anders interviewen met dezelfde vragen. Ik ga die vragen ook beantwoorden.

Ik neem mezelf vaak te serieus Mijn kinderen zijn mijn alles.

Wie ben je?

Soms denk ik, dat ik precies weet wie en hoe ik ben. Zelfverzekerd , sterke zwarte vrouw, weet wat ze wil. Kreeg het vaak voor elkaar. Niet echt heel vrolijk, maar best tevreden. Praatjes voor tien. Niet verlegen. Kan mensen of dingen of héél mooi of helemaal niet mooi of leuk vinden. Ken geen tussenweg. Dol op mijn kinderen. En ik hou nog steeds van Jeroen. Denk het altijd helder te zien en gelijk te hebben. Maar op sommige momenten wou ik, dat ik even van buiten af naar mezelf kon kijken. Bijvoorbeeld als ik bij Jeroen zo heel anders lijk over te komen als ik bedoeld heb.

Paul Verhoeven zei: ‘ Je bent wat je hebt gedáán in je leven’. Pas achteraf kun je misschien een rode draad ontdekken’ . We zullen zien.

Dat van sterk en zelfverzekerd heb ik meegekregen van Mam en vooral van oma Welita, de vrouwen uit mijn kinderjaren. Ook van mijn oom Nilio. Ik zou hard leren, groot worden, blijven knokken en heel veel bereiken. Mijn oma zei "je bent zwart en als vrouw geboren, maar ook jij kunt al die banen en dingen bereiken". De dingen die in die tijd alleen witte mensen leken te kunnen. Schone handen, witte boorden, respectvolle banen, stenen huizen, gezonde kinderen, respect en een auto. Dan zou ik voor mijn mensen kunnen opkomen. Mijn familie en vele arme onwetende mensen ook helpen. Het beter te krijgen. Volgens mijn oom moest ik daarom vroedvrouw worden. Eigen baas, veel geboortes, dus veel geld. Ik dacht zelf aan het onderwijs, dé sleutel naar een beter bestaan én onafhankelijk van Nederland. Ik was dus duidelijk een kind met een missie. Voor mezelf en met de plicht om ook de gemeenschap te dienen. Dat gaf duidelijkheid en kracht, maar was toch ook een balast. Vind ik nu achteraf. Ik ging ervoor en het lukte best. Ging studeren en werken, kon geld naar huis sturen en zat in allerlei besturen en clubjes om vrouwen en de wereld te redden.

Maar is mijn opdracht volbracht? Niet helemaal. Ben niet teruggegaan en het onderwijs op Curaçao verbeterd. Was ook een beetje naïef om te denken dat ik dat in mijn eentje kon doen. Mijn missie was ook te groot. Toch ben ik redelijk tevreden. Ik heb mijn familie lange tijd financieel en moreel kunnen steunen. En heb in mijn werk keuzes gemaakt, waardoor ik ook anderen heb kunnen helpen. En voel me niet meer schuldig, dat ik een stenen huis heb terwijl er dagelijks kindertjes in Afrika doodgaan. Ik kan niet de last van de hele wereld dragen.

Ik vermoed dat het grote verantwoordelijkheidsgevoel dat ik als kind al meekreeg, mij aan de ene kant kracht heeft gegeven maar mij ook te serieus en een beetje zwaar op de hand heeft gemaakt.

Volgens Jeroen ben ik niet een vrolijk mens. Zeker niet lichtvoetig, vind ik zelf ook. Heb inderdaad niet goed leren lachen en genieten en heb een zeer beperkt gevoel van humor, denk ik zelf. Ik kan zeker niet uit de voeten met de Nederlandse humor.

Toch ben ik een tevreden mens. Ik heb veel van mijn top 10 lijst bereikt, gestudeerd, leuke banen gehad. Vaak gevraagd. Ook veel gevraagd voor leuke en interessante bestuursfuncties.

Maar ik kan ook genieten. Vroeger door te stappen en te feesten. Later bij etentjes en zelfs vergaderingen. En helemaal geniet ik van mijn kinderen. Sterk, en soms alleen. Ik heb nog steeds het gevoel, dat ik alles het best zelf kan doen. Dan gebeurt het precies zoals ik het zelf wil. Dan kan ik ook laten zien dát ik het ook kón. Zelf en alleen. Misschien wou ik te veel alleen en zelf doen. Veel werken, kostwinner zijn, te weinig delen en delegeren. Het was een kick maar ook een enorme verantwoordelijkheid.

Waar geloof je in?

Dat je omgeving en erfenis je bepalen, maar dat je daar zélf richting aan kan geven. Ik geloof in de kracht van de mens, dat mensen zich doelen kunnen stellen en er voor gaan. Ik geloof ook dat mensen taai zijn. Veel kunnen hebben. Tegenslagen kunnen incasseren en toch doorgaan. Kunnen overleven.

Wat was een keerpunt?

ik zie meerdere keerpunten. Om te beginnen de dood van mijn vader. Als kind heb ik jaren naar heb uitgekeken en verlangd dat ze gewoon, hij en mam, bij elkaar zouden komen en trouwen en ook ik in een gewoon gezinnetje zou wonen. Maar hij ging dood zonder dat ik hem maar één keer had gezien. Ik verloor hem terwijl ik hem nooit had gehad. Ik had nog zoveel met hem willen bespreken. Ik heb dagen gehuild en dacht er niet uit te kunnen komen. Uiteindelijk heb ik dat pas jaren later in therapie een goede plek kunnen geven.

Andere keerpunten waren naar Nederland komen, mijn familie missen. De geboorte van mijn kinderen.

Maar het grootste keerpunt is natuurlijk mijn ziekte. Kanker krijgen. Jarenlang leven met de angst. Braaf medicijnen slikken. En dan te horen krijgen "Eén jaar, hooguit drie..." Het einde de dood. Nog zo weinig tijd hebben met mijn gezin en familie. En dan de vooruitzichten. Niet dood willen gaan, maar het niet kunnen veranderen. Bang voor lijdensweg en zwaar sterfbed. Verdriet dat ze zonder mij verder moeten. Hoe zal dat gaan? Hoe zal het ze vergaan zonder mij?

Wat zou je willen veranderen?

Ik zou beter met kritiek willen kunnen omgaan. Snappen en vooral voelen, dat niet ik maar mijn gedrag aangesproken wordt, vind ik nog steeds moeilijk. Ik zou meer willen genieten. Minder zwaar zijn. Meer uit handen geven.

Hoe is het om oud te worden?

Ik wou dat ik echt oud zou kunnen worden. Vind het niet erg om over de 50 te zijn. Niet erg om rimpels te hebben.